home > dutch > studies > diversen > achtergrondnt.php

De Achtergrond van het

Nieuwe Testament

door

Drs. Chris Bouter


Institutio Scripturarum


< http://www.is888.nl >>


[De nummers verwijzen naar de kopjes in de cursus N.T.-Grieks. In deze cursus is al dit materiaal verwerkt. Voor meer info over onze schriftelijke beginnerscursus in nieuwtestamentisch Grieks, ga naar: https://www.is888.info/dutch/cursus.php ].


Overzicht

Achtergrond van het Nieuwe Testament: Inleiding

Achtergrond van het Nieuwe Testament: de Joden

Chronologie van de Keizers

Stadhouders

De Romeinse Overheersing I

De Romeinse Overheersing II

Achtergrond, Herhaling

Religie binnen het Jodendom I

Religie binnen het Jodendom II

Religie binnen het Jodendom III

De Griekse Godsdienst

De Romeinse Godsdienst

Filosofie

Samenvatting

Het Hebreeuws I

Het Hebreeuws II

Het Latijn I

Het Latijn II

Het Grieks I

Het Grieks II

Algemeen

Bijbelvertalingen

De Autographa

De Manuscripten I

De Manuscripten II

De Moedertaal van Jezus

Zeven Koningen

Romeinse Architectuur I

Romeinse Architectuur II

Romeinse Architectuur III

Romeinse Architectuur IV

Romeinse Architectuur V

Romeinse Architectuur VI

Romeinse Architectuur VII

De Canon I

De Canon II

De Canon III

De Canon IV

De Canon V

De Canon VI

De Canon VII

De Canon VIII

Romeinse Wegenbouw I

Romeinse Wegenbouw II

Romeins Vervoer I

Romeins Vervoer II

Hoger Onderwijs I

Hoger Onderwijs II

Romeinse Jurisprudentie I

Romeinse Jurisprudentie II

Romeinse Jurisprudentie III

Romeinse Krijgskunst

De Centurion

Vroege Gemeenten

De Keizerscultus I

De Keizerscultus II

Religio en Superstitio I

Religio en Superstitio II

Omstandigheden I

Omstandigheden II

Een Slechte Reputatie

Tegenstellingen

Efeze, de Eerste Gemeente

1.6 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Inleiding

In dit onderdeel willen wij u informatie geven over de achtergrond waartegen zich de gebeurtenissen van het Nieuwe Testament afspeelden. Allerlei onderwerpen komen aan de orde zoals bestuur, religie, filosofie, huizenbouw, transport, beroepen en voedsel. Wij beginnen met het onderwerp bestuur. Vanaf de derde eeuw voor Christus begon vanuit Rome de verovering van de mediterrane wereld. Hele stukken van het huidige Europa, Noord-Afrika en Azië werden bij het Romeinse rijk ingelijfd. Een veroverd gebied werd meestal tot provincie gemaakt. Een stadhouder had de algemene leiding in zo'n provincie. Hij regelde via tussenpersonen allerlei publieke aangelegenheden, waaronder de belastinginning. De belastingen uit de provincies gaven de Romeinen de mogelijkheden kolossale bouwprojecten en dure veldtochten te financieren. Vaak werden provinciebewoners verplicht de Romeinse goden te vereren en zich te houden aan Romeinse wetgeving. Later, toen de eerste keizers hun intrede deden, kregen de provinciebewoners ook te maken met de verplichte keizercultus. Deze cultus hield het vereren van de keizer als godheid in. De meeste mensen hadden daar echter geen moeite mee, daar bijna alle godsdiensten uit die tijd polytheistisch waren. Een godheid meer of minder maakte hun weinig uit. Zij hadden meer weerzin tegen de hoge belastingen en de willekeur van de overheidsdienaren in Romeinse dienst. Wat gebeurt er echter wanneer een volk dat maar één God vereert te maken krijgt met vreemde overheersing, andere zeden en ... een keizer die als god vereerd wil worden? Daarover gaat het in de volgende les.

terug naar Overzicht


2.6 De achtergrond van het Nieuwe Testament: De Joden

In het jaar 63 voor Christus veroverde de Romeinse veldheer Pompeius het Joodse land. Hij lijfde het in bij de provincie Syria. In 40 voor Christus kreeg het land beperkte zelfstandigheid: Herodes de Grote werd tot koning onder Romeins gezag aangesteld. Hij bleef dit tot zijn dood in 4 voor Christus. Daarop werd het land onder zijn zonen verdeeld. In 6 na Christus echter kwam het zuiden (Samaria, Judea en Idumea) onder direct Romeins bestuur. Het noorden bleef (betrekkelijk) zelfstandig onder Herodes Antipas.

Een Joods land onder vreemd bestuur, welke gevolgen had dit? Het Joodse land bleef in de ogen van de buitenwereld een zelfstandige staat. De bestuurders hadden grote eigen bevoegdheden. Maar het belangrijkste was dat de Joden hun eigen godsdienst konden behouden. Zij werden niet gedwongen deel te nemen aan andere religieuze plechtigheden, Jeruzalem moest vrij blijven van andere godsdiensten en de Joden hoefden niet mee te doen aan de keizercultus. Hun monotheisme werd dus gerespecteerd. Althans, dat was een tijd zo. Pas onder keizer Caligula (37- 41 na Christus) ontstonden er problemen. Deze megalomane keizer wilde zijn standbeeld laten oprichten in de tempel in Jeruzalem. De toenmalige stadhouder Petronius wist echter de uitvoering van het keizerlijk bevel tegen te houden. Na de dood van Caligula maakte zijn opvolger Claudius de opdracht ongedaan. Onder zijn regering beleefde het Joodse land nog een periode van grote zelfstandigheid. Maar tegen het jaar 66 namen de spanningen toe. In het jaar 66 brak oorlog tegen Rome uit die duurde tot het jaar 73. In 70 werd Jeruzalem ingenomen en de tempel verwoest. In 73 werd het laatste verzet, gecon-centreerd rond Massada, gebroken. Daarna werd het Joodse land een normale provincie. Er waren bijna geen mogelijkheden meer om de eigen identiteit gestalte te geven.

terug naar Overzicht


3.8 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Chronologie van de Keizers

Wij willen na het historisch overzicht ingaan op de diverse overheidspersonen die in het Nieuwe Testament een rol spelen. Eerst kijken wij naar de keizers.

De Romeinse staat was aanvankelijk een republiek. In de roerige eerste eeuw voor Christus kwam er steeds meer ruimte voor de opkomst van evevn leider. De eerste die zich keizer wilde laten maken was de veldheer Julius Caesar. Hij werd echter vermoord. Na zijn dood streden twee mannen om zijn opvolger te worden: zijn geadopteerde zoon Octavianus en de veldheer Marcus Antonius. Octavianus behaalde de overwinning in de beslissende zeeslag bij Actium (31 voor Christus) en werd de eerste keizer. Hij is beter bekend onder zijn eretitel Augustus ('de verhevene', toegekend door de senaat in 27 voor Christus). Augustus wordt in het Nieuwe Testament een keer genoemd, namelijk in Luc. 2: 1.

Zijn opvolger heette Tiberius (14- 37). Ook hij wordt maar een keer genoemd: Luc. 3: 1.

Tiberius' opvolger, de beruchte keizer Caligula (37- 41), kwam in de vorige les even ter sprake. Zijn naam komt in het Nieuwe Testament niet voor.

Na Caligula's dood in 41 na Christus kwam Claudius (41- 54) aan de macht. Hij was een goed bestuurder. In het Nieuwe Testament wordt hij tweemaal genoemd: Hand. 11: 28 (in verband met de hongersnood die tijdens zijn regering plaatsvond) en Hand. 18: 2 (de Joden worden uit Rome verdreven).

Keizer Nero (54- 68) wordt in het Nieuwe Testament niet genoemd. Onder zijn bewind vond de grote christenvervolging (in 64) plaats, waarbij christenen voor de wilde dieren werden gegooid of levend verbrand. Nero had de bevolking van Rome tegen de christenen opgezet door het gerucht te verspreiden dat zij de brand hadden veroorzaakt die een derde deel van Rome in de as legde.

De keizers Vespasianus (69- 79) en Titus (79- 81) worden eveneens niet genoemd in het Nieuwe Testament. Toch hebben zij een grote rol gespeeld in de geschiedenis van het Joodse volk, daar tijdens hun regering de verwoesting van de tempel plaatsvond.

terug naar Overzicht




4.6 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Stadhouders

Wij willen nu aandacht besteden aan de stadhouders die in het Nieuwe Testament een rol spelen.

Quirinius, stadhouder van de provincie Syria, wordt evevn keer genoemd in het Nieuwe Testament: Luc. 2: 2. Pontius Pilatus was stadhouder van Judea, van 26 tot 36 na Christus. Hij wordt vijfenvijftig keer genoemd in verband met de veroordeling van Christus. Antonius Felix was van 51 tot 58 stadhouder van Judea. Hij wordt genoemd in Hand. 23 en 24. Deze Felix was getrouwd met een Joodse vrouw, Drusilla (Hand. 24: 24).

De opvolger van Felix was Festus. Hij wordt genoemd in Hand. 24 en 25. Felix had Paulus gevangen gelaten bij het einde van zijn ambtsperiode en dus moest Paulus voor Festus verschijnen. Hij beriep zich bij die gelegenheid op de keizer (Hand. 25: 11). Iemand die dat deed, had het recht naar Rome te reizen, waar zijn zaak aan de keizer werd voorgelegd.

Over deze stadhouders is verder heel weinig bekend. Daarom willen wij nog even kort iets zeggen over een andere persoon die u aantreft in Hand. 25 (en 26): koning Agrippa. Dit is Agrippa II, de zoon van Herodes Agrippa (Hand. 12: 1- 23). Herodes Agrippa had in 41- 44 een groot deel van het Joodse land onder zijn bestuur (Judea, Galilea, Samaria, Iturea en Trachonitis). Zijn zoon Agrippa II raakte al snel Judea, Samaria en het westelijke deel van Galilea kwijt. Deze delen kwamen onder direct Romeins gezag. Agrippa II bleef wel koning over de delen Iturea en Trachonitis.

terug naar Overzicht




5.9 De achtergrond van het Nieuwe Testament: De Romeinse Overheersing I

In deze les en de volgende willen wij aandacht besteden aan de invloed van de Romeinse overheersing op het dagelijkse leven. In de volgende les kijken wij daarom naar het leger in het Joodse land en nu willen wij ons richten op de belastinginning.

De belastingen uit de provincies waren van groot belang voor de inkomsten van de Romeinse overheid. Zoals al even ter sprake kwam, betaalde men met belastinggeld grote bouwprojecten en veldtochten. De belastingen kan men onderverdelen in twee groepen: directe en indirecte belastingen. De directe belastingen waren de tributum soli (belasting op grond) en de tributum capitis (letterlijk: belasting op het hoofd). De inning van deze belastingen werd overgelaten aan de plaatselijke overheden in de provincies. Dezen konden de inning weer uitbesteden aan ondergeschikten, maar zij blijven zelf verantwoordelijk voor het afdragen van het geld aan Rome. De indirecte belastingen waren tolgelden. De inning hiervan werd verpacht aan zogenaamde publicani, vaak gewone provinciebewoners die zelf de verantwoordelijkheid hadden voor het afdragen van het geld aan Rome. De publicani mochten alles wat zij inden boven het gevraagde bedrag zelf houden. Het is dan ook niet zo vreemd dat deze publicani niet erg geliefd waren en werden gezien als landverraders.

Ook in het Joodse land moest men deze belastingen betalen (zie bijvoorbeeld Matth. 22: 15- 22). De publicani zijn ons bekend onder de naam 'tollenaren' (Grieks voor tollenaar: telwnh" ). Zij hadden hun tolhuizen langs doorgaande wegen. Zo'n tolhuis wordt in het Nieuwe Testament ook genoemd (Matth. 9: 9; Luc. 5: 27). Uit de geschiedenis van Zacheus (Luc. 19: 1- 10) blijkt de praktijk van het afpersen (Luc. 19: 8). De gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar tot slot (Luc. 18: 9- 14) geeft blijk van de verachting voor tollenaars.

terug naar Overzicht



6.8 De achtergrond van het Nieuwe Testament: De Romeinse Overheersing II

In een provincie was gewoonlijk ook een Romeinse troepenmacht gelegerd. Zo'n macht legerde zich voornamelijk in steden die onder direct Romeins bestuur stonden of waar een Romeins bestuurder zijn residentie had. Een Romeinse legermacht bestond uit legioenen. Een legioen bestond uit tien afdelingen van 600 man. Over elke groep van honderd man had een centurion ('hoofdman over honderd') de leiding. Het Griekse woord voor centurion is o& katonarco" / o&katonarch" (ook letterlijk 'leider over honderd'). Slechts drie keer in het Nieuwe Testament wordt het woord kenturiwn (Marc. 15: 39, 44, 45) gebruikt. Eigenlijk is dit woord eenvoudig het Latijnse centurio geschreven in Griekse letters. Deze centurions worden regelmatig in het Nieuwe Testament genoemd (bijvoorbeeld de hoofdman bij het kruis: Matth. 27: 54, Marc. 15: 39, 44, 45, Luc. 23: 47; genezing van een dienstknecht: Matth. 8: 5- 13, Luc. 7: 1- 10; Cornelius: Hand. 10: 1- 48; ingrijpen tijdens Paulus' verblijf in Jeruzalem: Hand. 21: 32; 22: 25, 26; 23: 17, 23). Uit deze tekstplaatsen kunnen wij opmaken dat zich in elk geval een Romeinse legermacht bevond in Jeruzalem, in Caesarea (Kaisareia- Kaisar = keizer!) en in Kapernaum. Behalve van centurions wordt ook melding gemaakt van soldaten. Het Griekse woord voor soldaat is stratiwth". Wij treffen ze bijvoorbeeld aan rondom de stadhouder Pilatus (Matth. 27: 27, Marc. 15: 16), als wacht bij het graf van Christus (Matth. 28: 12) en in het boek Handelingen (bijvoorbeeld Hand. 23: 23).

terug naar Overzicht





7.9 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Herhaling

Aangezien deze les een herhalingsles is, willen wij de gegevens uit de voorgaande lessen op een rijtje zetten. Dit vormt tevens de afsluiting van het onderwerp bestuur.

Het Joodse land was in de tijd van het Nieuwe Testament een Romeinse provincie, onderdeel van het uitgestrekte Romeinse rijk. Aan het hoofd van dit rijk stond de keizer (Kaisar). Keizers in de tijd van het Nieuwe Testament waren:

Augustus (27 voor Christus- 14 na Christus)

Tiberius (14- 37)

Caligula (37- 41)

Claudius (41- 54)

Nero (54- 68)

Vespasianus (69- 79)

Titus (79- 81)

Aan het hoofd van een provincie stond een stadhouder (h&gemwn). Belangrijke stadhouders waren:

Quirinius, Pontius Pilatus, Felix en Festus.

De stadhouder liet veel over aan ondergeschikten, onder andere de belastinginning. De tollenaars (telwnai) hielden zich bezig met de inning van tolgelden. Aangezien zij geld verdienden aan de Romeinse bezetting, was hun positie omstreden.

Vooral in belangrijke steden waren troepen gelegerd. Een legioen soldaten (stratiwtai) bestond uit tien keer zeshonderd man. Over elke honderd man was een centurion

(o& katonarco" , kenturiwn) aangesteld.

terug naar Overzicht




8.9 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Religie binnen het Jodendom I

In de lessen 8- 13 willen wij stilstaan bij religie en filosofie in de wereld van het Nieuwe Testament. Wij bekijken in les 8- 10 religieuze stromingen binnen het Jodendom, in les 11 de Griekse godsdienst, in les 12 de Romeinse godsdienst en in les 13 de filosofie.

In deze les willen wij beginnen met een bespreking van de facetten van de Joodse godsdienst die in het Nieuwe Testament aandacht krijgen. In de vorige lessen over bestuur bleek dat de Romeinen lange tijd over het Joodse land hebben geheerst. Onder hun bestuur was er echter wel degelijk zekere invloed voor Joodse leiders. Een belangrijk bestuurlijk orgaan was het sanhedrin (toV sunevdrion). Deze raad bestond uit zeventig leden. De hogepriester (o& a*rciereuv") had de leiding. Hij vertegenwoordigde het volk tegenover de Romeinse leider ter plekke en had het toezicht op religieuze plechtigheden e.d. in Jeruzalem. Bekende hogepriesters uit het Nieuwe Testament zijn Hannas ( @Anna": Luc. 3: 2, Hand. 4: 6), Kaiaphas (Kaiavfa": Matth. 26: 57, Joh. 18: 13) en Ananias ( Ananiva": Hand. 23: 2, 24: 1).

De raad bestond voornamelijk uit leden van invloedrijke priestergeslachten. Deze raad wordt in het Nieuwe Testament veelvuldig genoemd. Wij geven u slechts een paar plaatsen: Matth. 5: 22 (de raad als gerechtshof), Matth. 26: 59, Luc. 22: 66 (Jezus voor de raad), Hand. 4: 15 (Petrus en Johannes voor de raad), Hand. 5: 21(overleg in de raad), Hand. 5: 27, 34, 41 (de apostelen voor de raad).

Het woord sunevdrion komt in het Nieuwe Testament twee keer voor in het meervoud (sunevdria: Matth. 10: 17 en Marc. 13: 9). Op die plaatsen wordt het meervoud meestal vertaald met 'raadsvergaderingen'.

terug naar Overzicht




9.8 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Religie binnen het Jodendom II

In deze les besteden wij aandacht aan de Farizeeën (Farisai'oi, lett. afgescheidenen). Zij vormden een min of meer gesloten groep, die zich voornamelijk bekommerde om de ontwikkeling van het Joodse denken. Hierbij namen zij ook mondeling overgeleverde tradities over. De Farizeeën hielden zich aan alle wetten uit het Oude Testament en probeerden zich zo ook te onderscheiden van het gewone volk. In het Nieuwe Testament wordt vaak melding gemaakt van Farizeeën. Zij letten nauwgezet op het doen en laten van Jezus en de discipelen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit hun opmerkingen over het eten met ongewassen handen (Matth. 15: 1, 2, Marc. 7: 1- 5, ), het schenden van de sabbatsrust (Matth. 12: 1, 2, Marc. 3: 1, 2, Luc. 14: 1) en het omgaan met tollenaren en zondaren (Luc. 5: 30, Luc. 15: 1- 3). Het negatieve beeld van de Farizeeër dat bij veel mensen leeft, komt met name uit de geschiedenis in Luc. 18: 9- 14: 'de Farizeeër en de tollenaar'. De gedachte van de Farizeeër dat zijn goede gedrag hem ver verheft boven lieden als de tollenaar wordt in dit gedeelte veroordeeld. Immers, de tollenaar gaat gerechtvaardigd naar huis en de Farizeeër niet. Toch is het belangrijk in het oog te houden dat het streven van de Farizeeën om de Joodse levenswijze uit het Oude Testament vast te houden; erop was gericht het Joodse volk te bewaren als een uitverkoren, een apart gezet volk. Met name in de diaspora is gebleken hoezeer het bewaren van de Joodse traditie heeft bijgedragen aan het voortbestaan van het Joodse volk, ondanks de talrijke vervolgingen. De veroordeling van de Farizeeën is dan ook meestal niet gericht tegen hun gedrag op zich als wel tegen de huichelarij die vaak met dat gedrag gepaard ging. Het zich houden aan veel geboden was een houding geworden die niets meer te maken had met een verlangen God oprecht te dienen.

terug naar Overzicht



10.9 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Religie binnen het Jodendom III

In het Nieuwe Testament worden naast de Farizeeën ook de Sadduceeën (Saddoukai'oi) genoemd. Zij accepteerden alleen de wetten als normgevend en verwierpen de mondelinge overlevering. Zij zijn het meest bekend om hun afwijzing van het geloof in opstanding uit de doden (Matth. 22: 23: 'de Sadduceeen die zeggen dat er geen opstanding is'). Hierover verschilden zij van mening met de Farizeeën (Hand. 23: 8). Vaak worden echter beide groepen naast elkaar genoemd en even scherp veroordeeld (Matth. 16; 6, 11, 12).

Een andere groep die vaak wordt genoemd in het Nieuwe Testament is die van de Schriftgeleerden (grammatei'"). Zoals hun naam al aangeeft, hadden zij grote kennis op het gebied van de Schriften (zie bijvoorbeeld Matth. 2: 4). Zij onderwezen de Schriften aan leerlingen die zij om zich heen verzamelden (Marc. 1: 22). Vaak worden zij naast de Farizeeën genoemd, bijvoorbeeld in Matth. 23 (verzen 13, 15, 23, 25, 27, 29). Als wetgeleerden vervulden zij een belangrijke rol bij het rechtspreken in de Joodse raad (Marc. 14: 53, Hand. 4: 5).

terug naar Overzicht




11.7 De achtergrond van het Nieuwe Testament: De Griekse Godsdienst

In deze les willen wij u kort iets vertellen over de Griekse godsdienst. De Grieken vereerden meerdere goden en godinnen. De oppergod was Zeus (Zeuv", 2de nv. Diov", 4de nv. Diva). De goden werden antropomorf voorgesteld, dat wil zeggen in menselijke gedaante. Men geloofde dat bepaalde goden en godinnen gehuwd waren en kinderen hadden. Ook kenden de goden menselijke emoties. Zo kon hun handelen bepaald worden door gevoelens van afgunst, haat of liefde. Onderling voerden de goden soms oorlog. Ook kozen zij wel in menselijke oorlogen een bepaalde kant. De goden konden in gevechten gewond raken, maar ze konden niet sterven aan hun wonden. Volgens de mythologische verhalen hadden de goden soms ook verhoudingen met aardse vrouwen. De kinderen die uit deze relaties voortkwamen, werden als halfgoden in het pantheon opgenomen. Een bekend voorbeeld van zo'n halfgod is Herakles, zoon van Zeus en een sterflijke vrouw, Alkmene.

Het heiligdom van een bepaalde god bestond uit twee delen, een grote hof met aan de godheid gewijde bomen of bronnen en het eigenlijke heiligdom. Dit was een gebouw met rijke versieringen in de vorm van bewerkte zuilen en afbeeldingen van mythologische verhalen op de gevel. In het gebouw stond een godenbeeld en vaak ook een altaar. De rituele handelingen bestonden uit het brengen van offers en het plengen van wijn. Het plengen van wijn werd ook wel in huiselijke kring gedaan. Men sprenkelde dan aan het begin van de maaltijd wat druppels wijn op de tafel onder het spreken van een gebed tot de god. Gebeden bestonden meestal uit formules.

De Grieken geloofden in een leven na de dood. Ook geloofden zij in een oordeel over het handelen op aarde en in beloning of straf in het hiernamaals. Maar door in de goden te geloven en hen te dienen kon men nooit zeker zijn van een goed leven na de dood. Een oplossing hiervoor brachten de mysteriegodsdiensten die uit het verre oosten in Griekenland werden geïntroduceerd. Door ingewijd te worden in een mysteriecultus kon men een figuurlijke dood sterven en zo al bij leven een eeuwige toekomst verwerven.

De Griekse godsdienst was ook buiten Griekenland verbreid, bijvoorbeeld in Griekse kolonies. In het Nieuwe Testament wordt in Hand. 14 beschreven hoe Paulus en Barnabas te Lystra worden aangezien voor de goden Zeus en Hermes. Er staat in vers 12 dat ze Barnabas Hermes noemen omdat hij het woord voert. Hermes was namelijk de bode van de goden. Ook wordt in vers 13 melding gemaakt van de priester van Zeus.

In de stad Efeze was een uitgebreide cultus van Artemis ( !Artemi"), aangezien volgens een mythe daar een beeld uit de hemel op aarde was gevallen. De zilversmeden in Efeze verdienden veel geld aan de verkoop van zilveren tempeltjes aan reizigers (zie Hand. 19: 24- 28).

terug naar Overzicht



12.9 De achtergrond van het Nieuwe Testament: De Romeinse Godsdienst

De godsdienst van de Romeinen lijkt veel op die van de Grieken. Ook zij kenden meerdere goden en godinnen. Voor elke god of godin is wel een Griekse equivalent aan te wijzen. Zo was de oppergod van de Romeinen Jupiter (de Romeinse Zeus). De godenbode Hermes heette bij de Romeinen Mercurius en de godin Artemis heette Diana. Elke god of godin had een bepaald terrein onder zijn of haar hoede. Zo was Mercurius de beschermer van handelaars en reizigers. Hij werd doorgaans afgebeeld met een staf in de hand en gevleugelde schoenen aan de voeten. De godin Diana was de godin van de jacht. Zij werd afgebeeld met pijl en boog.

Wanneer een belangrijke veldtocht werd voorbereid, nam men de vlucht van vogels waar om te bepalen of de voortekenen gunstig waren. Verder werden er offers gebracht, met name aan de god van de oorlog--Mars. Na een succes in de oorlog ging men in triomftocht de tempels langs om de goden te danken. Vaak kregen de goden van overwonnen volkeren ook een tempel in Rome. Het idee was dat de goden aan het volk waren ontnomen en eigendom waren geworden van de Romeinen.

Naast de goden vereerden de Romeinen ook abstracte begrippen als goden. Zo vereerden ze de stad Rome als de godin Roma. Ook waren er altaren voor de deugden, zoals voor Justitia (gerechtigheid). Zelfs bepaalde plaatsen (bijvoorbeeld bronnen in het bos) werden als heilig beschouwd.

Elke Romein had wel een plekje in huis waar hij godenbeeldjes bewaarde. Deze godenbeeldjes werden penates genoemd en golden als beschermers van het huis en de familie. Na de introductie van de keizercultus gingen de Romeinen naast de penates ook het genius (geleidegeest) van de keizer vereren in hun huizen. Vaak wierp men voor de maaltijd wat brood in het vuur als voedsel voor de huisgoden of men sprenkelde wat wijn bij de beeldjes.

terug naar Overzicht




13.7 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Filosofie

Tot slot van de reeks over religie en filosofie willen wij u iets vertellen over de filosofie. De ontwikkeling van de filosofie vond in fasen plaats. Aanvankelijk hielden filosofen zich alleen bezig met de vraag naar het ontstaan van de wereld. Tevens deden zij onderzoek naar allerlei verschijnselen in het heelal. Dit soort filosofie wordt natuurfilosofie genoemd. Men noemt als grondlegger van deze filosofie Thales van Milete. Later gingen filosofen zich bezig houden met vragen over meer abstracte zaken. Deze ontwikkeling begint pas echt bij Socrates (470- 399 v. Chr.). Hij hield zich bezig met de vraag naar het wezen van de dingen (to Vo!n lett. het zijnde). Zijn leerling Plato schreef vele boeken over de vragen van Socrates zoals 'wat is waarheid?', 'wat is gerechtigheid?' en dergelijke. Plato streefde naar een ideale staat waarin de filosofen de leiding hadden. Zij zouden als enige goede bestuurders kunnen zijn omdat hun studie in de filosofie hen had geleerd de hogere dingen te zoeken. Een belangrijke filosofische stroming geworteld in het Romeinse gedachtegoed is de filosofie van de Stoa. Deze filosofie stond een sobere levensstijl voor. Men moest zich zo min mogelijk aan het aardse hechten. Volgens hem kwam namelijk het ongeluk van veel mensen voort uit hun gehechtheid aan het aardse. Zo zou het verlies van een politieke loopbaan niet zo erg zijn, wanneer men minder hechtte aan eer. Het hoogste doel voor een Stoïcijn was het bereiken van een toestand waarin de ziel volkomen vrij is van elke invloed van buitenaf. De Stoïcijnse filosofen worden genoemd in Hand. 17: 18. Daar gaat het ook over volgelingen van Epicurus. Deze filosoof beweerde dat een mens zich gelukkig voelt wanneer hij meer positieve dan negatieve gevoelens heeft. Een maatstaf voor menselijk handelen moet dan de vraag zijn of een bepaalde handeling meer vreugde oplevert of meer verdriet. Die handelingen die op de lange duur de meeste vreugde opleveren, zijn het beste. In tegenstelling tot wat vaak wordt gezegd, keurt Epicurus niet alles goed wat aangenaam is. Wanneer iets aangenaams op de lange duur zeer onaangename gevolgen heeft, moet men volgens Epicurus niet kiezen voor het korte genot.

terug naar Overzicht



14.17 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Samenvatting

Wij vatten kort de informatie uit de vorige lessen voor u samen.

De Joodse raad bestond uit 70 leden, onder leiding van de hogepriester. Deze vertegenwoordigde het volk tegenover de Romeinse leider ter plekke en zag toe op religieuze plechtigheden in Jeruzalem.

Belangrijke groepen binnen het Jodendom zijn:

a) Farizeeën (Farisai'oi). Zij vormden een afgezonderde groep. Naast de geschreven wetten accepteerden zij ook een mondelinge traditie.

b) Sadduceee>n (Saddoukai'oi). Zij accepteerden alleen de geschreven wetten. Zij geloofden niet in de opstanding uit de doden. Verder geloofden zij niet in engelen en geesten. De Farizeeën geloofden hier wel in. Waar deze zaken ter sprake kwamen, brak snel twist tussen beide groepen uit (zie bijvoorbeeld Hand. 23: 6).

c) Schriftgeleerden (grammatei'"). Zij bezaten grote kennis van het Oude Testament en de wetten. Zij gaven hun kennis door aan leerlingen.

Alle drie groepen werden in het Nieuwe Testament regelmatig veroordeeld vanwege huichelarij.

De Griekse godsdienst werd evenals de Romeinse met name gekenmerkt door het dienen van meerdere goden. De goden werden menselijk voorgesteld in uiterlijk en handelen. Het dienen van de goden bestond met name uit rituele handelingen (het brengen van offers, het plengen van wijn en het uitspreken van vaste gebeden).

Naast bovenstaande kenmerken die voor beide godsdiensten gelden kende de Romeinse godsdienst het vereren van huisgoden en van het genius van de keizer.

Belangrijke filosofische stromingen zijn die van Plato, de Stoa en Epicurus.

Plato stelde de vraag naar het wezen van de dingen centraal.

De Stoa zochten het menselijke geluk in een volkomen loskomen van al het aardse.

Epicurus tot slot stelde dat men gelukkig kan worden door die handelingen te kiezen die op de lange termijn meer vreugde dan verdriet opleveren.

terug naar Overzicht




15.12 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Het Hebreeuws I

In de komende lessen willen wij het met u hebben over taal en wel over drie talen. In het evangelie naar Johannes wordt beschreven dat Pilatus een opschrift laat plaatsen boven het kruis van Christus. Hierop staat 'Jezus de Nazoreeer, de koning der Joden'. Johannes vermeldt dat dit opschrift gesteld is in drie talen: Hebreeuws, Latijn en Grieks. Hebreeuws was de taal van de Joden, Latijn de taal van de Romeinen en Grieks de toenmalige wereldtaal. Het opschrift kon dus door elke voorbijganger gelezen worden. Over deze drie talen willen wij het hebben. Eerst bekijken wij twee lessen het Hebreeuws, taal van het Oude Testament en de invloed op het Grieks van het Nieuwe Testament. Daarna besteden wij twee lessen aandacht aan het Latijn. Tot slot besteden wij twee lessen aan het Grieks.

Het Hebreeuws was de taal van het Oude Testament. Wanneer een geschrift is gesteld in een bepaalde taal, is het voor mensen die die taal niet beheersen niet toegankelijk. Daarom worden geschriften ook vertaald. Het nadeel van een vertaling is dat bijna nooit de betekenis van woorden en combinaties van woorden precies kunnen worden weergegeven. Dit is zeker het geval wanneer een geschrift vertaald wordt in een taal die een andere grammaticale structuur heeft. Toen de vertaling van het Oude Testament in het Grieks gemaakt werd (de Septuaginta) stuitten de vertalers op dit probleem. Bepaalde zinsneden zijn zo eigen aan het Hebreeuws dat ze bijna niet zijn weer te geven in het Grieks. En toch verlangden de vertalers ernaar de tekst zo nauwkeurig mogelijk over te zetten. Gevolg was dat ze de Hebreeuwse zinsneden letterlijk vertaalden naar het Grieks. Eigenlijk is dat altijd gebeurd wanneer het Oude Testament uit het Hebreeuws werd vertaald in een andere taal: er kwamen semitismen in de vertaling terecht. Ook in Nederlandse vertalingen zijn ze te vinden.

In het Nieuwe Testament wordt vaak gebruik gemaakt van citaten uit het Oude Testament. Het ligt dan ook voor de hand dat de semitismen in de geciteerde passages ook in het Nieuwe Testament verschijnen. Maar ook los van direct verband met het Oude Testament komen semitismen in het Grieks van het Nieuwe Testament voor. In de volgende les willen wij twee voorbeelden van semitismen laten zien.

terug naar Overzicht




16.10 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Het Hebreeuws II

Wij laten u twee voorbeelden zien van semitismen. Bij het eerste voorbeeld gaat het om een semitisme in een citaat uit het Oude Testament.


kaiV oi& neanivskoi u&mw'n

En jullie jongemannen zullen neanivsko" (mnl.)-

o&ravsei" o!yontai kaiV

gezichten zien en jullie ouderen jongeman,o&ravsei"-

oi& presbuvteroi u&mw'n

zullen dromen dromen. 4de nv. mv. v.

e*nupnivoi" e*nupniasqhvsontai-

(Hand. 2: 17) [email protected]", o!yontai- 3de p. mv. o.t.t.t. v.o&ravw,

presbuvtero" (mnl.)- oudere (man), e*nuvpnion (onz.)- droom, e*nupniasqhvsontai- 3de p. mv. o.t.t.t. v. e*nupniavzw- ik droom (dit is een lijdende vorm, maar deze moet actief vertaald worden, dit komt nog aan de orde)


U ziet dat het twee keer gaat om een werkwoord en een zelfstandig naamwoord met dezelfde basis (o&ravw, o!rasi", e*nuvpnion,e*nupniavzw). Het betreft hier een citaat uit Joël 2.

Dit verschijnsel dat een werkwoord en een zelfstandig naamwoord met dezelfde basis worden gecombineerd is een typisch taaleigen van het Hebreeuws. Dit verschijnsel kende men wel in het Grieks: het zelfstandig naamwoord werd dan een intern object genoemd. Maar het gebruik van zo'n intern object kwam weinig voor. In het Nieuwe Testament neemt dit gebruik aanzienlijk toe, hetgeen wordt toegeschreven aan de invloed van het Hebreeuws.

Wij geven nog een voorbeeld van een passage zonder relatie met het Oude Testament.




kaiV poimevne" h^san e*n

En er waren herders in poimevne"- 1ste nv.

th/' cwvra/ th'/ au*th/'

diezelfde streek, in het veld mv. v. poimhvn, cwvra

a*graulou'nte" kaiV

verkerend en de wakes (vrl.)- gebied, streek,

fulavssonte" fulakaV"

waarnemend 's nachts bij hun a*graulevw- ik leef buiten,

th'" nuktoV" e*piV thVn

kudde. (Luc. 2: 8) fulavssw- ik waak,

poivmnhn au*tw'n

fulakhv (vrl.)- wake, th'" nuktov"- 's nachts (2de nv. v. tijd), poivmnh (vrl.)- kudde


U ziet opnieuw een werkwoord en zelfstandig naamwoord van dezelfde basis (fulavssw, fulakhv).

terug naar Overzicht



17.8 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Het Latijn I

Wij willen nu twee lessen besteden aan het Latijn. Het Latijn was de taal van de Romeinen die, zoals u in vorige lessen hebt kunnen lezen, een groot deel van de toenmalige wereld onder hun bewind hadden. Waar de Romeinen heersten, kwamen de mensen in aanraking met het Latijn. Decreten en dergelijke werden vaak in twee talen opgesteld: in de taal van het bewuste gebied en in het Latijn. Vaak ging de bovenlaag van de bevolking het Latijn leren. Zij konden zo als vertegenwoordigers van het Romeinse gezag fungeren in hun gebied, aangezien zij met Rome konden communiceren. In hele gebieden werd naast de taal ook de beschaving van de Romeinen ingevoerd. Mensen leerden hun koopwaren niet te ruilen, maar te handelen met geld. Er werden scholen naar Romeins model ingericht waar retorica en dergelijke werden onderwezen. Zo kon de kerkvader Augustinus in Noord-Afrika een typisch Romeinse opleiding krijgen. Zijn kennis van retorica blijkt uit zijn geschriften, die in het Latijn zijn geschreven. Daar veel kerkvaders evenals Augustinus opgegroeid waren in een omgeving vol van Latijn, gingen zij schrijven in het Latijn. Het Latijn werd zo geleidelijk de taal van de kerk.

Dit Latijn, ook wel kerklatijn genoemd, is een ander soort Latijn dan het Latijn dat men in de eerste eeuw na Christus sprak en schreef. Een taal is immers steeds in ontwikkeling. Woorden en uitdrukkingen raken in onbruik en verdwijnen, andere woorden komen ervoor in de plaats. Een belangrijk aspect van de verandering van Latijn naar kerklatijn was de noodzaak een taal te ontwikkelen voor de beschrijving van geestelijke zaken. Allerlei woorden zoals zonde, verlossing, genade enzovoorts bestonden niet in de typische betekenis die ze in het christendom hebben. Daarom ging men woorden die aanvankelijk een alledaagse betekenis hadden gebruiken in een geestelijke context. Zo werd het woord dominus dat gewoon 'heer des huizes' betekende gebruikt voor God: Heere.

terug naar Overzicht



18.8 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Het Latijn II

In de veertiende eeuw kwam er in Italië een stroming op gang, die als doel had het klassiek Latijn weer te doen herleven. Deze stroming staat bekend als het humanisme. Niet alleen ging men het Latijn leren om de werken van klassieke auteurs te kunnen lezen, maar men ging zelfs gedichten en prozawerken schrijven in navolging van de bekende auteurs. Zo schreef men brieven naar het voorbeeld van Cicero en gedichten in navolging van Ovidius en Horatius. De inhoud was vaak eigentijds: een beschrijving van de stad Wenen of een loflied op het vaderland Italië. Ook werden pagane vormen gebruikt om christelijke thema's te beschrijven. Zo verschenen er psalmparafrasen in klassieke metra.

Vaak werd het Latijn gecultiveerd naast de eigen volkstaal. Soms ontstond de neiging het Latijn te beschouwen als een hogere, beschaafdere taal dan de volkstalen. Pogingen om het Latijn weer in grote delen van de toenmalige wereld te introduceren liepen echter op niets uit.

Eigenlijk werd er toentertijd helemaal geen Grieks meer gelezen. Waar Griekse auteurs als de filosoof Aristoteles in het onderwijs werden gebruikt, werden zij via commentaren in het Latijn bestudeerd. De humanisten hanteerden als motto 'ad fontes', dat is 'terug naar de bronnen'. Zij hadden als ideaal de literatuur van de oudheid te kunnen bestuderen in de oorspronkelijke talen. Men liet daarom Grieken naar Italië komen om het Grieks te onderwijzen. Het leren van Grieks bleek voor velen aanvankelijk een hele opgave. Van een aantal humanisten zijn brieven bewaard waarin ze schrijven over hun pogingen Grieks te leren. Bijna niemand ging zelf in het Grieks schrijven. Wel werden er vertalingen en bewerkingen in het Latijn gemaakt van Griekse werken. Ook ging men Griekse literaire vormen gebruiken om christelijke thema's te beschrijven. Zo verschenen er tragedies naar klassiek voorbeeld met een bijbelse figuur als hoofdpersoon.

Met de belangstelling voor Griekse auteurs kwam er ook belangstelling voor het Nieuwe Testament. De bekende humanist Erasmus verzorgde een uitgave van het Nieuwe Testament. Ook schreef hij parafrasen van delen van het Nieuwe Testament in het Latijn.


Met de belangstelling voor Griekse auteurs kwam er ook belangstelling voor het Nieuwe Testament. De bekende humanist Erasmus verzorgde een uitgave van het Nieuwe Testament. Ook schreef hij parafrasen van delen van het Nieuwe Testament in het Latijn.

terug naar Overzicht




19.10 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Het Grieks I

In de vorige les las u al iets over de hernieuwde belangstelling voor het Grieks in de vijftiende en zestiende eeuw. In deze les en de volgende willen wij u in vogelvlucht de ontwikkeling van het Grieks beschrijven.

Wanneer men spreekt over het Grieks van de vijfde eeuw voor Christus, bedoelt men het Attisch. Dit is een dialect van het Grieks. Naast Attisch zijn er nog drie dialecten: het Ionisch, het Aeolisch en het Dorisch. Elk dialect werd gesproken in een bepaald deel van de Griekse wereld. Zo was het Attisch bijvoorbeeld het dialect van Athene en omgeving en het Ionisch van eilanden in de Egeïsche zee en van de kust van Klein-Azië. In elk dialect zijn wel literaire werken overgeleverd, al is het meeste geschreven in het Attisch.

Rond 400 voor Christus begon zich het koine (koinov" betekent 'algemeen') te ontwikkelen, een taal die het Attisch als basis had met enkele Ionische kenmerken. Na de verovering van een groot deel van het Middellandse-Zeegebied door Alexander de Grote, werd het koine de taal van die streken. De Septuaginta (Griekse vertaling van het Oude Testament) en het Nieuwe Testament zijn in het koine geschreven.

Ondanks deze gemeenschappelijke taal met bepaalde kenmerken heeft elk bijbelboek in het Nieuwe Testament een eigen soort Grieks. Het Grieks van bepaalde schrijvers vertoont bijvoorbeeld meer afwijkingen van het Attisch dan dat van anderen.

Eigenlijk kan men zeggen dat het Grieks van het Nieuwe Testament een eigen taal is met een eigen grammatica en woordkeus. In het Latijn van de kerkvaders kregen woorden nieuwe betekenissen om te passen in de geestelijke context. Zo kregen Griekse woorden in het Nieuwe Testament andere betekenissen. Het Griekse woord swthvr (redder) wordt gebruikt voor Christus als de Redder van de wereld. Het komt in het Nieuwe Testament dan ook niet in het meervoud voor. Het werkwoord swv/zw (ik red) wordt in de eerste plaats gebruikt in de context van het gered worden door God, in het Nederlands weer te geven met 'behouden'. De algemene betekenis 'redden' wordt hieraan ondergeschikt.

terug naar Overzicht




20.7 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Het Grieks II

De kerkvaders die in de eerste eeuwen na Christus schreven, gebruikten over het algemeen weer een klassieker soort Grieks. Aangezien zij meestal afkomstig waren uit vooraanstaande families hadden zij een opleiding gehad waarin de klassieken een belangrijke rol speelden. Zij gebruikten klassieke genres (o.a. dat van de parafrase) voor bijbeluitleg. Bovendien benutten zij bepaalde procedevs uit de literatuur, zoals het gebruik van uitgebreide vergelijkingen en beschrijvingen. Het bleek dat er een christelijk vocabulaire is ontstaan: woorden die inmiddels al een specifiek christelijke betekenis hadden gekregen, bleven in die betekenis gebruikt worden.

In de loop van de zesde eeuw ontstaat een nieuw soort Grieks, het byzantijns Grieks. De afwijkingen van het klassiek Grieks worden nu groter. In de eeuwen die volgen ondergaat het Grieks grote veranderingen. De uitspraak van bepaalde letters wijzigt drastisch. Zo wordt een b uitgesproken als een v/w-klank. Ook gaan een aantal klinkers (o.a. h) neigen naar i-klank (zogenaamd iotacisme). Aan het eind van deze ontwikkeling staat het Grieks dat tegenwoordig in Griekenland wordt gesproken: demotike genoemd ('volkstaal'). Los van de demotike staat de geschreven taal (katareousa: 'gezuiverde taal'). Deze geschreven taal bewaart een soort Grieks dat dichter staat bij het klassiek Grieks. De katareousa wordt gebruikt voor officiële documenten, onderwijs, kranten en literatuur. De laatste jaren echter verschijnen er ook kranten en boeken in het demotike.

terug naar Overzicht


21.17 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Algemeen

Voor bestudering van het Nieuwe Testament is het belangrijk te weten dat het Grieks van het Nieuwe Testament koine-Grieks is, een algemene voertaal in het Middellandse--Zeegebied na de veroveringen van Alexander de Grote. Het koine bestaat voornamelijk uit Attisch met enkele Ionische kenmerken. Voor de individuele bijbelboeken geldt dat sommige meer afwijkingen vertonen van het Attisch dan andere.

Het voornaamste kenmerk van het Nieuwe Testament als geheel is de aanzet tot een christelijk vocabulaire. Bepaalde woorden krijgen een specifiek christelijke betekenis, die ze nog eeuwen daarna behouden. Een ander opvallend aspect van de taal is het grote aantal semitismen: constructies die ontleend zijn aan het Hebreeuws en via de vertaling van het Oude Testament in het Grieks terecht zijn gekomen.

Na de opkomst van het christendom hebben veel kerkvaders in het Grieks en Latijn geschreven. Na een periode waarin deze talen minder in de belangstelling stonden, leefde de belangstelling voor en de studie van deze talen weer op vanaf de veertiende eeuw. Literaire werken werden vertaald en klassieke genres nagevolgd. Ook het Nieuwe Testament kreeg weer aandacht. Uitgaven van de tekst, vertalingen en commentaren hebben sindsdien de studie van het Nieuwe Testament bevorderd.

terug naar Overzicht



22.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Bijbelvertalingen

In deze reeks mag een stukje over vertalingen niet ontbreken. De ons oudst bekende vertalingen van het Nieuwe Testament (die ook het O.T. bevatten), zijn de Pesjitta van bisschop Rabbula van Edessa (begin vijfde eeuw) en de vertaling van Hieronymus (gereed in 405 n. Chr.). Waarschijnlijk gebruikte hij manuscripten van oud-Syrische vertalingen die toen al bestonden. Dit deed Hieronymus ook, maar dan voor het Latijn. Dit op verzoek van bisschop Damasus van Rome. Zijn vertaling heet de Vulgaat, want ze was voor het gewone volk bestemd.

Wulfila (ook wel Ulfilas, de "apostel van de Gothen" genaamd) vertaalde de bijbel al in de vierde eeuw voor de barbaarse Germanen. Echter tot in de late Middeleeuwen bleef de kerktaal het Latijn en de Vulgaat was voorbehouden aan kerkelijke leiders. De bijbel werd wel gedeeltelijk hier en daar vertaald, maar men moest dat vaak met het leven bekopen! In 1388 werd een Engelse vertaling voltooid onder leiding van een Britse priester (John Wycliffe). Hij stierf voor er een vervolging uitbrak. Maar men was zo opgeruid tegen hem dat zijn lichaam opgegraven en verbrand werd.

Maar drie grote gebeurtenissen zouden verandering brengen, nl. de Reformatie, de uitvinding van de boekdrukkunst en de nieuwe belangstelling voor het klassieke Grieks. Het waren dus niet alleen de humanisten van de Renaissance die zich opnieuw bogen over de geestelijke wortels van de theologie en filosofie. Desiderius Erasmus, de grote Rotterdamse geleerde, liet in 1516 voor het eerst het N.T. in het Grieks drukken. Dit werd gevolgd door een ijverige reeks uitgaven van het Griekse N.T.

In 1534 zag Luthers Duitse vertaling van de bijbel het licht. William Tyndale, ook een geleerde priester, wilde hetzelfde bereiken voor de Engelse taal. Maar voordat hij dit voltooide, eindigde hij op de brandstapel in de omgeving van Brussel. Het schijnt dat zijn laatste woorden een gebed waren of God de ogen van de Engelse koning wilde openen. Dit gebeurde ook. Anderen maakten zijn werk af en met toestemming van de Koning mocht de tweede uitgave gedrukt worden.

De eerste volledige Nederlandse bijbel was de in 1526 verschenen Liesveldt-Bijbel. Maar omdat deze drukker deze bijbel voorzag van kanttekeningen die steeds reformatorischer werden, vond hij de dood door onthoofding. Na deze bijbel gaven de verschillende geloofsgemeenten hun eigen bijbels uit.

terug naar Overzicht




23.6 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Autographa

Hoewel de zgn. 'autographa' niet meer bestaan, is er door trouwe kopiisten wel degelijk voor gezorgd dat deze originele geschriften (dus door de schrijvers zelf) getrouw zijn gekopieerd. Wat de Joden hadden gedaan voor de oudtestamentische autographa, hebben meestal monniken gedaan voor de nieuwtestamentische. Een vondst als van de Dode Zee rollen bevestigen dat de teksten van het O.T. altijd al bijzonder nauwkeurig waren overgeleverd d.m.v. methoden als het tellen van alle woorden, letters en het overschrijven van het hele document als er een afwijking was.

Vergelijkbare vondsten zijn er ook gedaan die bevestigen dat het Griekse N.T., dat aan de basis van bijv. de Statenvertaling ligt, eveneens uitzonderlijk goed bewaard is. Zo zelfs, dat we ervan uit kunnen gaan dat de hedendaagse tekst nagenoeg dezelfde is als die waar de eerste Christenen over bezaten. Eigenlijk zijn wij bevoorrecht, want de allereerste Christenen moesten nog op vele dingen wachten!

Van 99% van alle in het N.T. voorkomende woorden is de betekenis zeker. Slechts een klein percentage (0,1%) betreft min of meer belangrijke varianten. Maar ook hier is de Christelijke leer veilig gesteld, omdat geen enkel basisaspect van de Leer op een afwijkend variant is gebaseerd.

De studie van het Griekse origineel werkt mee tot een diepere betekenis en beleving van de Bijbel. Het is op z'n minst nuttig om een vaardigheid te leren die men in staat stelt om vertalingen te vergelijken. Voldoende kennis van de grammatica en een basiswoordenschat zijn hiervoor een vereiste. Vertalingen kunnen namelijk nog wel eens van het origineel afwijken. Maar ik haast me toe te voegen dat vertalers altijd hun werk zo getrouw mogelijk gedaan hebben en ik ben me niet bewust van enige vertaling die de Christelijke leer in diskrediet zou brengen. In de volgende lessen besteden we aandacht aan de (oude) Griekse teksten.

terug naar Overzicht



24.6 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Manuscripten I

Een zekere Stephanus gaf in het jaar 1550 een Griekse tekst uit die de naam Textus Receptus kreeg ('aanvaarde tekst'). Deze tekst werd de basis van de Statenvertaling en van o.a. de Luther-vertaling. Het zou enkele eeuwen duren voordat men het waagde een herziene uitgave te publiceren. Want dit werd als oneerbiedig beschouwd.

Wat de Dode Zee rollen voor het Oude Testament waren, was in eerste instantie een oud manuscript uit de vierde eeuw, ontdekt door een Duitse geleerde-Tischendorf. Deze codex (handschrift) bevatte het gehele Nieuwe Testament en werd toevallig door hem ontdekt bij zijn derde bezoek aan het St. Catharinaklooster op de berg Sinaï. Later werden elders delen van het N.T. ontdekt die nog veel ouder waren, sommige van slechts 50 jaar na de autographa!

Heden ten dage beschikken wij over ongeveer 5000 handschriften die het hele N.T. of delen daarvan bevatten. Uit deze grote hoeveelheid blijkt dat de latere manuscripten die aan de Statenvertaling ten grondslag liggen, zeer getrouw waren gekopieerd. Bovendien bevestigen ze elkaars betrouwbaarheid.

De meeste hedendaagse geleerden prefereren de oudste teksten. Er zijn er echter die redeneren dat deze teksten-meestal uit de droge streken van Egypte, waar het papyrus lang goed bleef-behoren tot een plaatselijke variant. Zij geven de voorkeur aan de zogenaamde Majority text-'de tekst van de meerderheid', gebaseerd op de theorie dat de variant die het meest voorkomt, terug moet gaan op de oudste en beste (niet meer bestaande) teksten. Maar hoe dit ook zij; waar het om gaat is dat bewezen is dat eenvoudige Egyptische boeren uit de tweede eeuw gewoon hetzelfde Nieuwe Testament bezaten als de geleerden van vandaag de dag!

terug naar Overzicht




25.6 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Manuscripten II

De Joden kopieerden het O.T. getrouwer dan de monniken het N.T. In les 23 zeiden we al dat slechts 0,1% van het N.T. belangrijke varianten betreft; de meeste varianten betreffen verschillen in spelling, woordvolgorde en grammatica. Deze 0,1% van de woorden van het N.T. brengen de Christelijke leer niet in gevaar. De overlevering van het N.T. is uniek. Van geen enkel geschrift uit de oudheid (behalve dan het O.T.) zijn zoveel handschriften en vertalingen voorradig. Men kan er zeker van zijn dat in minstens één van deze oude getuigen het juiste origineel is bewaard. Andere geschriften zijn altijd aangetast in meerdere of mindere mate door overschrijffouten en moet de tektscriticus een gok wagen naar de oorspronkelijke vorm. Dit is voor het N.T. dus niet nodig!

Fouten die binnenslopen waren meestal zonder opzet, zoals het verwisselen van volgorde van woorden, verdubbeling of omkering van letters en weglating van woorden en letters. Dit indien het manuscript overgeschreven werd. Wanneer het manuscript gedicteerd werd, ontstonden dergelijke fouten ook. Met opzet werd waarschijnlijk 1 Johannes 5:7 veranderd. Maar het kan ook dat dit een theologische interpretatie was in de kantlijn, waarvan een kopiist dacht dat het in het origineel hoorde. Dit vers is een voorbeeld van een variant dat op zich wel belangrijk is, maar die niets van de Christelijke leer in diskrediet brengt (in dit geval de leer van de drie-eenheid).

De belangrijkste handschriften (naar chronologische volgorde) zijn de papyri uit Egypte (2de en 3de eeuw), de uncialen [handschriften in hoofdletters geschreven] (4de tot 9de eeuw), en de minuskels [handschriften in kleine letters] (9de tot 15de eeuw). Hiernaast worden antieke vertalingen geraadpleegd, evenals bijbelcitaten door kerkvaders en leesboeken voor godsdienstig onderwijs.

Wij raden u aan om nu toch een Grieks N.T. aan te schaffen. Naast interlineaire edities, kunt u de al genoemde Textus Receptus, of de Majority Text, of een nieuwe editie in de lijn van Nestle-Aland kopen.

terug naar Overzicht





26.6 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Jezus' Moedertaal

Het is een wijd verbreide misvatting dat Jezus Aramees sprak en dat de nieuwtestamentische uitdrukking 'Hebraisti' Aramees zou betekenen. Sinds de wegvoering naar Babel wemelde het in het Hebreeuws van de Aramese leenwoorden, zo zelfs dat men ze gewoon als Hebreeuws beschouwde (bijv. 'Rabboni' wordt Hebreeuws genoemd).

In dit stukje kunnen wij niet op alle argumenten voor en tegen ingaan, maar neem nu bijvoorbeeld het kruiswoord 'Eloi, Eloi'. Men zegt dat Jezus hier duidelijk Aramees sprak. Echter in het Aramees zou het kruiswoord 'Elahi' en niet 'Eloi' (van een uniek woord in het Hebreeuws voor God 'Eloah') geluid hebben. 'Lema' ('waarom') was waarschijnlijk net zo gebruikelijk als het originele Hebreeuwse 'lama'. 'Effatha' is ook gewoon Hebreeuws en niet Aramees. Want net als de Griekse schrijfwijze van Hizkia in de Septuaginta 'Ezekias' werd, zo werd het Hebreeuwse 'hiffathah' [nifal gebiedende wijs 2de persoon enkelvoud mannelijk] 'effatha' (vertaling: 'word geopend'). De woorden 'kumi' en 'sebachthani' luiden qua vervoeging in zowel het Hebreeuws als het Aramees gelijk en men kan rustig aannemen dat het oude gebruikelijke werkwoord voor 'verlaten' ('azab') verdrongen was door 'sebach' dat ook in het Misjna-Hebreeuws voorkomt.

Verder kan men aanvoeren als bewijs dat een Syrische koning zijn zoons naar Jeruzalem zond om de taal aldaar te leren. Nu in Syrië sprak men Aramees en dus in Jeruzalem Hebreeuws! Verder werd er in het Israel van toen Koinè Grieks en Romeins (lees: Latijn) gesproken en in de tijd van het Pascha was Jeruzalem een smeltkroes van talen van Joden die uit de gehele toen bekende wereld kwamen.

Aramees was de taal aan het hof van Babel en was zelfs min of meer een wereldtaal vergelijkbaar met de Koinè na Alexander de Grote. Daniël schreef zijn dromen en profetieën die bestemd waren voor de algemene (heidense) wereld dan ook in het Aramees.

In Nehemia 13:24 wordt het Hebreeuws 'Jehudiet' genoemd en worden Joden wiens kinderen Ammonitisch en Moabitisch spraken, ernstig berispt. Een argument voor het Aramees als Christus' moedertaal, is dat het woord 'talitha' (meisje) op zich Aramees is. Men kan ook aanvoeren dat het Aramees als de wereldtaal van het Babylonische wereldrijk, wijd verbreid was bijv. doordat er Babylonische immigranten werden geplaatst in Samaria. Echter het feit dat het Oude Testament in het Hebreeuws was geschreven, moet een enorme taalkundige invloed hebben gehad.

Men kan eventueel ook beweren dat na Alexander de Grote het Koinè Grieks de algemene voertaal was geworden en dat daarom ook de apokriefe boeken in die taal zijn geschreven, zoals de boeken van de Makkabeeën.

De tweede (eventueel derde) taal van Jezus moet het Koinè Grieks zijn geweest en men mag ook aannemen dat deze taal waarschijnlijk meer gesproken werd (zeker wanneer Hij de massa toesprak) dan het Hebreeuws, dat naar de achtergrond van de huiselijke kring en de synagoge was verdrongen (zeker in een min of meer heidens gebied als Galilea).



terug naar Overzicht



27.6 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Zeven Koningen

In Openbaring 17:10 is er sprake van zeven koningen, of bergen (de zeven koppen van het vierde beest in Daniël). Er wordt gezegd dat vijf gevallen zijn en dat er één is, de zesde (dat is in de tijd van Johannes!); en dat de zevende een korte tijd komt. De achtste is uit de zeven. Ik geef u mijn mening wat betreft de interpretatie van deze zeven koningen. Het zijn regeringsvormen die alle zeven tot het 'beest' behoren. Daniël had het over een beest dat na Alexander de Grote zou komen. Dit is het Romeinse rijk.

De vijf regeringsvormen die gevallen zijn, kunnen het best begrepen worden als respectievelijk de Romeinse koningen (van 753 v.Chr. tot 509 v.Chr.), de twee consuls (van 509 v.Chr. tot 445 v.Chr.), de militaire tribuni (van 445 v.Chr. tot 60 v.Chr.), het triumviraat (vanaf 60 v.Chr.) en het verschijnsel van de absolute dictator (Julius Caesar). De zesde koning, of regeringsvorm, is de Keizer (vanaf 27 v.Chr.),. te beginnen in de persoon van Octavianus, de geadopteerde zoon van Caesar. Deze liet zich Augustus noemen (in het Grieks sebasto" 'de vereerde', 'de verhevene', 'de doorluchtige' [Hand. 25:25]) en werd op een gegeven moment vereerd als een god.

Centraal in al deze regeringsvormen stond de zogenaamde macht imperium en het priesterdom auspicium (het bepalen van de wil der goden). Deze twee verschijnselen vormden de basis van de besturing van het rijk. Het is veelzeggend dat het Nieuwe Testament ook spreekt van het algemeen priesterdom van gelovigen en van hun koning(in)-zijn. Maar dit terzijde.

Augustus ontving in 23 v.Chr. de macht van tribunicia potestas voor de rest van zijn leven en in 12 v.Chr. werd hij pontifex maximus. Dit verenigde in hem zowel de koninklijke als de priesterlijke macht.

Verdere Keizers in de tijd van het Nieuwe Testament waren: Tiberius (14-37), Caligula (37-41), Claudius (41-54), Nero (54-68), Gelba [7 maanden], Otho [88 dagen], Vitellius (68-69), Vespasianus (69-79), Titus (79-81), Domitianus (81-96), Nerva (96-98), Trajanus (98-117). Verreweg de beruchtsten waren Caligula en Nero. Maar Diocletianus (284-305) veroorzaakte een vervolging van tien jaar (vergelijk de tien dagen van Openbaring 2:10) van Christenen, die gevreesd, veracht en gewantrouwd werden als een staat binnen een staat. De toetssteen was of men gewillig was om de keizer te aanbidden als een god.



terug naar Overzicht


28.10 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Architectuur I

We zullen nu enkele stukjes wijden aan de Romeinse architectuur. De Romeinen hadden twee soorten huizen, de domus en de insula. De eerste was weggelegd voor de welgestelden en de tweede was een soort flatgebouw voor de arbeiders. De domus bestond uit een aantal kamers die om een atrium gebouwd waren. Vaak werden er kamers verder naar achteren gebouwd rondom een hof met zuilen, het peristyle. Het atrium was een rechthoekige kamer met een opening in het dak. Het atrium met de daaromheen liggende kamers was puur Romeins. Het peristyle was van Griekse of Midden-Oosterse stijl.

De algemene activiteiten van de familie vonden plaats in het atrium. De kamers rondom het atrium waren bestemd voor conversatie en ontspanning. Men bereikte het atrium vanaf de straat via het prothyrum, een ingang met gang. Tussen het atrium en het peristyle bevond zich het tablinum, een open huiskamer die d.m.v. een gordijn afgesloten kon worden. Een ruime gang, de fauces, bevond zich aan een kant van het tablinum om een gemakkelijke toegang tot het peristyle te bieden.

De peristyle, zoals in de domus van Vettii te Pompeji, bevatte de privé huiskamer van de familie. Rondom de zuilenhof bevonden zich verder de oecus (receptie), de cubiculae (slaapkamers), de alae (nissen voor privé gesprekken), de triclinae (eetkamers). In de domus van Pansa te Pompeji bevatten de triclinai drie ligbanken voor ieder drie personen, omdat negen het geaccepteerde aantal gasten was voor een Romeins feest. Deze laatste domus heeft ook een bovenverdieping zowel rondom het atrium als het peristyle.

terug naar Overzicht




29.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Architectuur II

De tweede vorm van huizenbouw, de insula (lett. 'eiland'), was het flatgebouw. De insula verschafte goedkope behuizing voor de arbeiders op plekken waar de grond duur was en de bevolking talrijk. De insula werd gebouwd van stenen en bedekt met beton en was vaak vijf of meer verdiepingen hoog, ondanks wetten die bepaalden dat zulke gebouwen niet hoger dan 21 meter mochten zijn en in de tijd van Trajanus zelfs maar 18 meter. De begane grond van zulke gebouwen werd meestal gebruikt door ambachtslieden en verschillende soorten winkels.

Veelal hadden de insulae ook balkons van hout of beton. Pompen konden het water alleen maar omhoog brengen naar de lagere appartementen. Huurders van de hoger gelegen appartementen waren aangewezen op openbare water en sanitaire voorzieningen. De insulae werden gebouwd met nauwgezette aandacht voor een zo goed mogelijke verdeling van ruimte. Licht kwam zowel van de buitenkant als van een centrale binnenplaats. Goedkope constructie en een beperkte voorraad water waren de oorzaak van talrijke instortingen en grote branden. Opgravingen in Ostia, praktisch een buitenwijk van Rome, hebben deze dingen aangetoond. Bovendien werd er melding gemaakt van deze gebouwen door Romeinse schrijvers.

terug naar Overzicht




30.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Architectuur III

De Romeinen hadden een grondige basiskennis van hoe men de bouw van een stad moest plannen. Wanneer een nieuwe stad werd gebouwd hield men rekening met haar functie, klimaat en de geografische omgeving.

Karakteristiek voor een Romeinse stad (waarschijnlijk ontwikkeld uit eerdere Italische steden in combinatie met het vak van legerkampbouw) was dat men haar vierkant plande. De wegen en straten liepen evenwijdig aan elkaar en sneden elkaar in het centrum, vergelijkbaar met New York.

In, of dichtbij, het centrum bevond zich het zogenaamde forum, het middelpunt van de Romeinse cultuur. Langzamerhand werden hieromheen gebouwen geplaatst voor specifieke burger-, handels-, en religieuze activiteiten. In keizerlijke tijden was het gebruikelijk om de forums zo groot te maken dat ze ruimte genoeg boden voor allerlei activiteiten. In een grote en oude stad als Rome zelf, waren er verschillende forums; ieder met zijn eigen doel, zoals administratief, justitieel, financieel en ook waren er forums voor de verkoop van vlees en groenten. Voor vlees en groenten ontwikkelde men de macellum, een marktgebouw met winkels rondom een hof met zuilen.

Lang gevestigde gemeenten, die meer door aanwas dan planmatig ontwikkeld waren, werden door de tijd heen onder de Romeinse invloed gebracht van het hierboven beschreven plan. Vaak, echter, ook te Rome, verhinderde de ligging en de schaal van grootte een volledig logische uitwerking. In het algemeen werden er zuilenrijen gemaakt aan de zijden van belangrijke straten. Water werd geleid naar spectaculaire fonteinen en naar bassins voor praktisch gebruik. Het water werd via aquaducten naar grote reservoirs geleid (als het klimaat geen putten voorschreef). Rioolsystemen verzamelden het overtollige water van de straten en van privé verblijven. Beroemd is de uitspraak van een keizer die belasting hief op het rioolsysteem: pecunia non olet (geld riekt niet). Wetten voor het bouwen werden uitgedacht en vervolgens gehandhaafd.

Het ontwerp van een hele stad kan duidelijk gezien worden in sommige steden in Noord Afrika, zoals bij voorbeeld in Timgad, Tébessa en Thuburbo Majus. In deze steden werd maar weinig of helemaal niet bijgebouwd en de originele planning is nog steeds intact.

terug naar Overzicht




31.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Architectuur IV

Van ongeveer 200 v.Chr. tot 50 n. C. zorgden de veelvuldige contacten met Griekenland, als ook de ontwikkeling van Rome als een republiek ervoor dat qua stijl tempels naar het Griekse voorbeeld werden gemaakt. Zowel de sculptuur als ruimtelijke effecten werden geschoeid op Griekse leest. De Griekse invloed op de Romeinse cultuur was zo groot dat er een spreekwoord gebezigd werd: Graeca capta Romam cepit (Het veroverde Griekenland heeft Rome veroverd). Echter in de tijd van keizer Augustus werden tempels gebouwd met een meer eigen, dat is Italisch, ruimtelijk arrangement. Ook werden nieuwe vormen, voornamelijk bloemversieringen, en zeer gedetailleerde friezen ontworpen. In deze tijd werd voornamelijk in seculiere gebouwen een architectonische stijl ontwikkeld die geheel eigen was aan Romeinse begrippen. Ook was het in deze periode dat de Romeinen hun geheel eigen invloed begonnen uit te oefenen in het buitenland, bijv. in de bouw van theaters en amfitheaters.

De Romeinen hadden een voorliefde voor ruimtelijke composities die uitgeleefd werd in het organiseren van lijnen, oppervlakten, massa en volume partijen. Hierin verschilden zij van hun voorgangers in die tijden rondom de Middellandse Zee. Hoezeer zij ook de elementen van voorgaande stijlen overnamen, zij deden dit op hun eigen manier.

Er bestonden vijf Romeinse bouwstijlen, afgekeken van de Grieken, maar gebruikt op eigen wijze. Deze waren de Dorische, Ionische, Corinthische, Toscaanse en gemengde bouwstijlen. In het algemeen waren de verhoudingen in de Romeinse stijlen matiger, maar er was een neiging tot meer detail. Kolommen waren vaak glad, maar de architraaf, fries en kroonlijst daarentegen werden versierd.

terug naar Overzicht


32.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Architectuur V

Tegen het einde van de republiek waren de zogenaamde balneae (baden) een erkend kenmerk van het Romeinse leven geworden. Vooral tijdens het keizerrijk waren ze enorm populair. De Stabianische Baden te Pompeji zijn het best bewaard gebleven.

Keizerlijke thermae waren meer dan alleen baden. Het waren bijzonder grote faciliteiten voor allerlei soorten van lichamelijke oefening en herbergden hallen waar filosofen, dichters en sprekers publiek trokken.

Romeinse theaters verschilden in diverse opzichten van die van de Grieken. Het auditorium werd niet gegraven en de muren die zowel het podium als de zitplaatsen omgaven, waren doorlopend. De ingang tot het danspodium werd gevormd door gewelfde gangen. Het koor speelde geen rol in het Romeinse theater, zodat het dansgedeelte deel uitmaakte van het auditorium. De wand achter het podium werd uitgebreid versierd.

Amfitheaters waren arena's waar schouwspelen en allerlei vertoningen werden opgevoerd. De belangrijkste was het Colosseum te Rome, gebouwd van ongeveer 70-82 v.Chr. Het besloeg tweeëneenhalf hectare en bood plaats aan vijftigduizend toeschouwers. Tachtig ingangen zorgden ervoor dat het snel ontruimd kon worden. Het geheel was gebouwd van beton, de buitenkant was bedekt met een soort kalksinter en de binnenkant met kostbaar marmer.

Het circus was voornamelijk een renbaan met aan de zijkanten zitplaatsen. Aan het ene uiteinde was het rond en aan het andere recht om toegang te verschaffen aan de wagens. In het midden liep een scheidslijn waar arbiters hun functies konden uitoefenen. Aangezien het de grootste faciliteit was voor het bekijken van een plechtigheid, werd het circus ook bestemd voor andere activiteiten. Zij zijn vooral berucht geworden door het verbranden van christenen in de tijd van en door Nero.

Triomfbogen werden soms opgericht om een belangrijke gebeurtenis of militaire campagne te herdenken. Meestal stonden ze apart en dienden niet om een weg door te laten. Ze werden versierd met reliëfs en men bouwde er standbeelden op.

terug naar Overzicht




33.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Architectuur VI

Romeinse tempels verschilden in vele belangrijke details van hun Griekse voorgangers. Zo hadden de Grieken drie treden rondom hun tempels, maar de Romeinen hadden een hoog platvorm, of podium, met een trap die als ingang diende. Griekse tempels keken bijna altijd uit op het Oosten of Westen, maar de ligging van de Romeinse tempels hing af van de relatie met de omliggende gebouwen.

De Romeinen bouwden veelal ronde tempels, waarvan de belangrijkste tot op de dag van vandaag het Pantheon te Rome is. Het bestaat uit een rotonde met een diameter van bijna vijftig meter en omgeven door betonnen muren met een dikte van zeven meter. Een centrale opening met een spanwijdte van wel negen meter laat het licht door. Deze opening, ook wel oculus genaamd, bevindt zich boven in de koepel. De rotonde en het koepelgewelf behoren tot de beste voorbeelden van Romeins betonwerk.

De Romeinse graftombe bestond uit een heuvel van aarde, de tumulus, en was omgeven door een cementen ring meestal van behoorlijke hoogte. Er zijn slechts weinig van dit soort tombes overgebleven; voornamelijk de graftombe van Hadrianus die nu Castel Sant'Angelo heet.

De basilica was een grote overdekte hal die gebruikt werd door justitie en die ook diende voor bankzaken en handel. De grootste basilica werd in ongeveer zeven jaar gebouwd, begonnen door Maxentius en voltooid door Constantijn in omtrent 313 n.Chr. Gewelven die zich nog steeds over de uitspringende ruimtes aan de noordzijde bevinden, zijn een frappant bewijs van de samenstelling en bestendigheid van Romeins gewapend beton. Want na al deze jaren hangen ze daar nog steeds en dat zonder ondersteuning.

Het construeren van bruggen en aquaducten behoorden ook tot de grootste vaardigheden van de Romeinen. De beroemdste voorbeelden van aquaducten die de tand des tijds tot nu hebben doorstaan, zijn de Pont du Gard bij Nîmes en bij Segovia in Spanje. Het beste voorbeeld van een brug vind je bij Rimini. Deze werd gebouwd door Augustus en Tiberius. De mooiste is misschien wel die bij Alcántara in Spanje.

terug naar Overzicht



34.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Architectuur VII

Privé huizen en zelfs paleizen hadden meestal een stijl die binnenhoven en tuinen benadrukte in plaats van het aanzien van buiten. Deze traditie werd zelfs gehandhaafd, voorzover mogelijk, in de Romeinse nederzettingen in het noorden van Europa en in Engeland. Daar moesten ook uitgebreide voorzieningen getroffen worden voor verwarming. In het eigen klimaat van de Middellandse Zee, echter, was er een tendens voor een lichte en open constructie in plaats van een compacte en imposante.

Ook bij de paleizen van de keizers in Rome viel de grootste nadruk op de bouw van tuinen. De gebouwen zelf, wat betreft op hun functie, waren niet zeer monumentaal en als het ware uit de losse hand verspreid over de Palatijnse heuvel. Augustus zelf kocht en vergrootte het huis dat bekend staat als het Huis van Livia, dat nog steeds bestaat. Zeer weinig is overgebleven van Nero's beroemde Gouden Paleis, dat oorspronkelijk een gebied besloeg van meer dan 120 hectare. Daar bevinden zich nu de Baden van Titus, het Colosseum en de Basiliek van Maxentius.

De Villa van Hadrianus te Tivoli, begonnen in ongeveer 123 n.Chr., was een weelderige residentie met parken en tuinen op grote schaal. De oneffenheid van het gebied maakte de bouw van grote terrassen en trappen noodzakelijk. Er bestaan nog overblijfselen van enorme stenen en betonnen constructies. Al de gebouwen zijn in Romeinse stijl, maar met Griekse namen.

Het Latijnse woord villa had betrekking op een landgoed, compleet met huis, terreinen en ondergeschikte bouwsels. Relatief eenvoudige villa's werden gevonden rondom Pompeji. Beschrijvingen in de literatuur, zoals van Plinius de Jonge die zijn villa te Laurentum beschrijft, en overblijfselen van de paleisachtige residentie van de vierde eeuw te Piazza Armerina in Sicilië, vertegenwoordigen meer de rijke klasse. De villa van Hadrianus is te uitgebreid en gedetailleerd om een typische villa genoemd te worden.

terug naar Overzicht



35.4 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Canon

Wij willen nu enkele aspecten van de canon van het Nieuwe Testament behandelen. Het woord canon komt oorspronkelijk uit het Hebreeuws van qaneh wat (meet)riet betekent (vgl. Ezek. 40:3) en is via het Grieks (bijv. Gal. 6:16; kanwn 'regel') in het Latijn en vervolgens in de moderne talen gekomen.

De vroegere kerkvaders gebruikten het woord in de zin van het N.T. 'regel'. Origenes (184-254) noemde de Schriften de canon en bedoelde daarmee de 'regel voor geloof en leven'. In de tijd van Athanasius (296-373) bezigde men het woord in de betekenis van 'de lijst van boeken met goddelijk gezag'. Zo wordt het woord nog steeds gebruikt.

Men maakt wel onderscheid tussen actief en passief canoniek zijn. Volgens de eerste betekenis is een (bijbel)boek canoniek, omdat het met gezag de maatstaf voor ons leven geeft. In de tweede betekenis is een boek canoniek omdat het aan de maatstaf voldoet, volgens welke een boek geaccepteerd wordt als geïnspireerd door God.

In het verleden is nooit, door welke kerkelijke leiders of concilies dan ook, gezag verleend aan welk bijbelboek dan ook! Alles wat zij deden was het accepteren van het gezag waarmee de diverse bijbelboeken spreken. Straalde een boek zo'n gezag uit, dan werd het als canoniek aangenomen. Er is nooit een boek canoniek verklaard louter en alleen omdat mensen het in de canon hebben opgenomen. Dat is een verwarring van de actieve en passieve betekenis van het woord canon. Wat God in Zijn voorzienigheid aan ons heeft overgelaten, is of wij een boek als goddelijk zouden herkennen. Zo zijn bijvoorbeeld het Boek van de Oprechte (Joz. 10:13) en het Boek van de Oorlogen van de Heere (Num. 21:14) nooit in de canon opgenomen. Om maar te zwijgen over de vele spreuken en liederen van Salomo die nooit zijn erkend door mensen als Ezra en Nehemia.

terug naar Overzicht



36.8 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Canon II

De boeken en brieven van het N.T. zijn geschreven door mannen met een bijzondere roeping en gave, voornamelijk de apostelen; waarvan voornamelijk Paulus. Zij werden allemaal door Christus zelf geroepen. Ook de schrijver Jacobus, de broer van Christus, werd volgens Galaten 1:19 tot de apostelen gerekend. De broer van Jacobus, Judas, werd ook onder de apostelen gerekend (vgl. Hand. 15:27). Men kon destijds dus ook apostel zijn, terwijl men niet tot de twaalf behoorde (vgl. Op. 2:2). Voorwaarde was dat men tijdens of na het (aardse) leven van Jezus, door Hem geroepen was en dat de tekenen van een apostel je vergezelden (2 Kor. 12:12). Wat de profeten voor het O.T. waren, waren de apostelen voor het N.T. De evangelisten Marcus en Lucas kan men rekenen tot de nieuwtestamentische profeten (vgl. Ef. 2:20; 3:5).

Dat de vroege christenen twijfel hadden over verschillende brieven of boeken, is geen bewijs van onkunde of iets dergelijks, maar toont juist aan hoe zorgvuldig zij te werk gingen. Een boek werd verworpen indien men niet overtuigd was dat het van God Zelf afkomstig was. Dit onderscheidingsvermogen werd gegeven door de Heilige Geest, die Zelf ook de Geschriften had ingegeven (niet als een dictee overigens). Niet-canonieke boeken of brieven hadden op zijn best de status van vrome lectuur, die naast de bijbel gelezen konden worden. Christus Zelf stelde de Farizeeën op de proef toen Hij hun vroeg of het gezag van Johannes de doper van God of van de mensen kwam. Maar zij herkenden dat gezag niet en erkenden het ook niet. Dit is de test voor ieder mens-het herkennen en erkennen van Gods gezag. Doet en kan en wil men dat niet, dan zal geen enkel wonder of argument helpen.

terug naar Overzicht



37.9 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Canon III

Er werden nog andere toetsstenen gehandhaafd om te bepalen of een boek al dan niet canoniek was, naast dat ze profetisch en goddelijk gezaghebbend moesten zijn. En wel of een boek of brief geestelijke kracht bezat (vgl. Hebr. 4:12; 2 Tim. 3:15-17; 1 Pet. 1:23 en 2:2). Een vierde criterium was of het boek qua feitelijkheden en leer congruent was met voorgaande geschriften. Omdat Gods woord niet inconsequent kan zijn, werd een boek zondermeer verworpen op onjuistheden. Daarom gingen de Bereeërs na of de leer van Paulus wel strookte met de hun bekende en door hen geaccepteerde geschriften (Hand. 17:11). De vijfde toetssteen was of en hoe een boek of brief oorspronkelijk aanvaard was. Indien een boek was verworpen door de eerst geadresseerden, dan werd het als niet-canoniek beschouwd. Omdat het trage transport over lange afstanden de communicatie belemmerde, duurde het lang voor er een algemene aanvaarde canon tot stand kwam.

Om de éénheid onder christenen te bevorderen was het noodzakelijk om tot een algemeen erkende canon te komen. Bovendien werden door de gnostici allerlei belangrijke boeken en brieven verworpen en kwam in de eerste helft van de tweede eeuw de dwaalleraar en gnosticus Marcion met zijn eigen canon. De kerkvaders stonden toen voor de opgaaf niet om een alternatieve canon vast te stellen, maar om te bepalen wat eigenlijk vanaf het begin de juiste canon was geweest. Iedere christen moest op de hoogte zijn op welke boeken en brieven hij of zij zich kon beroepen, zodat wat betreft leerstellige vraagstukken de juiste bronnen bekend waren. Er was ook een kerkelijke reden. In veel gemeenten werden ook niet-canonieke boeken als opbouwend beschouwd en voorgelezen. Bovendien moesten vertalers weten welke boeken en brieven authentiek waren. Er was tijdens de vervolgingen onder keizer Diocletianus een wereldlijke reden om de juiste canon te bepalen. Men probeerde namelijk de politie voor de gek te houden door niet-canonieke boeken en brieven in te leveren. Want de overheid had bevolen dat alle christelijke, dat is nieuwtestamentische, geschriften verbrand moesten worden.

terug naar Overzicht



38.8 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Canon IV

Hoewel de uiteindelijke vaststelling van de nieuwtestamentische canon lang op zich liet wachten, omdat de christenen van de eerste eeuwen van ons tijdperk wijdverspreid woonden en omdat de communicatie moeizaam verliep; kunnen we aannemen dat vanaf het begin er maar weinig onderling geschil was over welke boeken en brieven als authentiek moesten worden beschouwd. Dit blijkt uit de kerkgeschiedenis en uit de manuscripten.

De allervroegste kerkvaders, waarvan de geschriften getrouw zijn overgeleverd-zoals Ignatius, Clemens, Justinus Martyr en Irenaeus (eind tweede eeuw; bisschop van Lyon)-geven ons een behoorlijk goed inzicht in het alom geaccepteerd zijn van het N.T. Ook maakten zij een duidelijk onderscheid tussen zichzelf en de schrijvers van de bijbel. Zij gaven zichzelf minder gezag. Over o.a. Jacokus en Hebreeën bestond kennelijk verschil van mening. Tertullianus (omstreeks 200 n.Chr.) noemt de vier Evangeliën, de Handelingen, 13 brieven van Paulus, 1 Petrus, 1 Johannes, Judas en Openbaringen. Vanaf het prille begin moet het een soort absoluut gegeven zijn geweest dat er maar vier Evangeliën zijn.

Frappant is de Canon Muratori (genoemd naar de ontdekker in 1740) die waarschijnlijk als een soort orthodox protest tegen ketters als Marcion, was opgesteld. Hierin worden de al genoemde boeken genoemd en nog een brief van Johannes. De "Openbaring van Petrus" wordt hier betwijfeld en de "Pastor" van Hermas wordt als niet-canoniek verworpen. Opvallend is echter de ontbreking van Hebreeën en 1 Petrus. Men heeft de theorie geopperd dat het manuscript dat deze canon bevat, niet compleet is.

terug naar Overzicht



39.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Canon V

De allervroegste vertalingen van het N.T. tonen hoe gebrekkig de communicatie was tussen het Griekse oosten en het Latijnse westen. In de oud-Syrische vertaling ontbreken 2 en 3 Johannes, Judas en Openbaringen; echter in de oud-Latijnse vertaling ontbreken Hebreeën, Jacobus en 1 Petrus. De boeken die het oosten miste waren wijdverbreid in het westen en omgekeerd. Desalniettemin bevatten deze twee oudste bijbels samen de nieuwtestamentische canon, op 2 Petrus na.

Origenes die in de eerste helft van de derde eeuw n.Chr. leefde en wel op de rand van Oost en West, in Egypte, geeft de canon zoals wij die vandaag hebben. Hij zegt dat al deze boeken alom door christenen worden erkend en dat slechts Hebreeën, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes, Judas en Openbaringen door sommigen betwist worden. Echter hijzelf geloofde dat Hebreeën door de Apostel Paulus geschreven was. In de eerste helft van de vierde eeuw geeft Eusebius dezelfde canon en vermeldt dezelfde betwijfelde boeken (op Hebreeën na).

Athanasius, bisschop van Alexandrië, geeft ons de oudst bekende lijst van alle 27 nieuwtestamentische boeken en brieven. Hij deed dat in zijn paasbrief in het jaar 367. Enkele decennia later vermelden Hieronymus en Augustinus dezelfde canon.

De concilies van Hippo (393) en Carthago (397 en 419) bevestigen deze canon. U wordt er nogmaals op gewezen dat deze concilies niet uitmaakten welke boeken in de canon thuis hoorden, maar zij ratificeerden slechts het feit dat deze boeken en brieven altijd al als canoniek beschouwd waren.

terug naar Overzicht



40.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Canon VI

Gebaseerd op de Griekse taal hebben theologen enkele geleerde woorden bedacht om de vroege strijd om de canon in kaart te brengen. De homologoumena [van homos 'gelijk', 'overeenkomend' en logos 'redenering' (o&mologew-ik ben het eens, ik kom overeen met); dus 'de boeken en brieven waar iedereen het mee eens is'] waren de geschriften waarover vanaf het begin geen twist bestond; uitgezonderd natuurlijk de ketters die ieder zijn eigen canon verzon. De pseudepigrapha [van pseudes 'leugen' en epigrapha '(op)schriften'] waren de boeken en brieven waar niemand vanaf het begin serieus in geloofde. De antilegomena waren de geschriften waar twijfel over bestond.

Zo betwijfelden serieuze christenen de brief aan de Hebreeën, omdat het een anonieme brief was en omdat ketters sommige van hun leugens erop baseerden. Uiteindelijk was men het erover eens dat Paulus de schrijver moest zijn geweest en ketters gebruikten nu eenmaal van alles en nog wat om hun ideeën te staven.

In het Latijnse westen aarzelde men over de brief van Jacobus, omdat men niet zeker was of de schrijver wel de bekende apostel in Jeruzalem was geweest. De grootste moeite had men met de idee dat geloof werken moet voortbrengen. Zelfs Luther had moeite dit te begrijpen. Sommige christenen hadden de indruk dat deze brief in strijd was met de leer van Paulus en dat het rechtvaardiging op grond van werken leerde. Echter de gemoederen bedaarden toen men begreep dat Jacobus bedoelde dat zonder werken het geloof niet echt is; net als een lichaam zonder ziel of geest dood is. De twee horen bij elkaar. Paulus leerde dat Abraham door het geloof gerechtvaardigd werd en Jacobus legde uit dat zijn handelingen een gevolg van dat geloof waren.

Over 2 Petrus is er het meest gediscussieerd tot op voor kort. Dit kwam vooral omdat de stijl nogal verschilt van de 1ste brief. Vele geleerden beweerden dat het een vervalsing uit de tweede eeuw was. Echter Clemens van Rome haalde het boek al in de eerste eeuw aan. Bovendien weten we nu dat bijvoorbeeld Koptische christenen deze brief hoog waardeerden.

Van 2 en 3 Johannes vond men klaarblijkelijk dat deze brieven niet zo veel te zeggen hadden; vandaar de geringe belangstelling en circulatie. Echter niemand zou het in zijn hoofd gehaald hebben de geadresseerden onder de naam van 'oudste' aan te schrijven dan alleen Johannes zelf.

Van Judas begreep men naderhand dat hij niet geloofde in de pseudepigrapha, maar wel in bepaalde informatie die daarin werd gevonden, evenals Paulus verwees naar buitencanonieke feiten over de tovenaars Jannes en Jambres. Hoe dit kan, blijft voor ons een zaak van het geloof, waarnaar men alleen kan gissen.

Ook het boek Openbaringen zorgde voor veel opschudding. Ook omdat ketters het gebruikten voor hun dwaalleringen. Nadat deze leugens weerlegd waren, werd dit boek alom geaccepteerd.

terug naar Overzicht



41.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Canon VII

Er bestaat een groot aantal nieuwtestamentische pseudepigrapha, wel ongeveer 300. Volgens een zekere Photius in de 9de eeuw, waren er toen al zo'n 280. Tientallen zogenaamde evangeliën (volgens één ervan bracht Jezus als Kind vogels van klei tot leven; dit kan niet waar zijn, want volgens Joh. 2:11 was het veranderen van water in wijn het 'begin van de tekenen'); zogenaamde handelingen van allerlei apostelen; zogenaamde brieven van Christus, Paulus en zogenaamde openbaringen.

Wat betreft de nieuwtestamentische apocriefe geschriften in het algemeen, kunnen we zeggen dat niemand ze erkent, ook niet de Rooms Katholieke kerk. Dit is een probleem van het verleden toen deze of die kerkvader die en dat geschrift erkende. Zij geven ons echter inzicht in de verschillende aspecten van de christelijke leer, de ontwikkeling van de theologie ervan en zij tonen ons hoe de canon zich ontwikkelde.

De apocriefe werken (dus niet de vaak ongezonde en speculerende pseudepigrapha) kunnen verdeeld worden in de werken van de eerste kerkvaders (1ste en 2de eeuw) en de overige werken. Tot de eerste behoren de brieven van Ignatius, van Clemens, de 'didachè' [didach- leer] en de 'pastor' van Hermas. Tot de tweede groep behoren zogenaamde handelingen en openbaringen.

Uit dit alles blijkt dat de canonieke geschriften een uniek karakter hebben. Van zelfs de edelste, religieuze boeken en brieven werd herkend dat ze niet het karakter van canonieke geschriften hebben. Het karakter van canonieke werken was en blijft zo frappant dat maar weinige van hen betwist zijn. Dit kan alleen verklaard worden doordat er zo iets moet zijn als inspiratie. Daar gaan we het de volgende keer over hebben.

terug naar Overzicht



42.6 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Canon VIII

De bijbel zegt van zichzelf dat hij door God ingegeven is. Sleutelpassages in het N.T. zijn 2 Tim.3:16; 1 Pet. 1:10,11; 2 Pet. 1:21 en 2 Pet. 1:20. In het O.T. zijn karakteristieke woorden zoals 'God sprak', 'God zei', 'Het woord van God kwam'. Wil dat zeggen dat de bijbel een soort dictee is? Vaak wel, maar de bijbel is veel meer. Het moge duidelijk zijn dat zelfs in vertalingen het taalgebruik van de ene schrijver eenvoudiger is dan van de andere. God kon dus de individualiteit van de schrijver wel degelijk gebruiken. Er is dus een goddelijke kant en een menselijke kant aan de inspiratie. Mooi is dat. De Persoon van Christus, die het Woord wordt genoemd, heeft ook deze twee kanten: God en mens.

Het is dus niet zomaar een kwestie van dichterlijke bevlogenheid, maar volgens onze eerste sleuteltekst werd de gehele Schrift ingegeven van God. Het Grieks gebruikt het woord qeopneusto"-door God geblazen. Dat is de goddelijke kant. De menselijke kant is dat de schrijver daar voor openstond.

Volgens de tweede sleuteltekst geschiedde de inspiratie 1. door de Heilige Geest; 2. Christus is het middelpunt van de profetie; 3. de schrijvers begrepen niet volledig wat zij schreven. Wat punt 1. betreft. De bijbel zegt elders (1 Kor. 2:10-16) dat de Heilige Geest alle dingen doorzoekt, zelfs de grootste mysteries van God. De Heilige Geest is dan ook Degene die ze ingeeft en de aandachtige lezer van de bijbel zou er goed aan doen om de bijbel dan ook biddend te lezen en te vragen of God Zijn Geest wil doen werken om te begrijpen wat wij lezen.

Volgens de derde sleuteltekst gaat de inspiratie uit van de wil van God en niet van een mens. De bijbelschrijvers werden gedreven door God. Nogmaals, God gebruikte ook hun individualiteit, zodat men de verschillende schrijvers als instrumenten kan zien van een groots orkest.

En tenslotte, volgens de vierde sleuteltekst, kan geen enkele profetie een eigen uitleg toestaan. Dit betekent dat men altijd schriftplaats met schriftplaats moet vergelijken, dat men in de context moet lezen en niet een uitleg aan een enkel vers moet toeschrijven. Een gouden regel is dat men 'leest wat er staat', 'gelooft wat er staat', en dan 'heb je wat er staat'.

terug naar Overzicht




43.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Wegenbouw I

De Romeinen waren de eerste wetenschappelijke wegenmakers. Op het hoogtepunt van hun macht hadden zij ongeveer 85.000 kilometer aan wegen aangelegd. Deze wegen verbonden de hoofdstad Rome met de grenzen van het uitgestrekte keizerrijk. Rome was als een soort naaf en 29 militaire wegen waaiden uit in alle richtingen. De beroemdste was de via Appia. De meeste oudheidkundigen denken dat de Romeinen vooral de kunst van wegenbouw van de Etruskiërs in het noorden van Italië geleerd hebben. Hoewel, zeer waarschijnlijk, ook andere culturen zoals de Foenicische en Egyptische hun steentje hebben bijgedragen.

Het frappante van Romeinse wegen is dat ze, van punt tot punt, lijnrecht waren. Meren, ravijnen, moerasland en zelfs bergen, werden bedwongen. Zelfs moderne ingenieurs bewonderen ze vanwege hun moedig ontwerp.

De via Appia werd begonnen in 312 v.Chr. en bestond uit één tot anderhalve meter aan verschillende materialen. De diepste laag was van zand of metselkalk. Daarop kwam een laag van soms wel een halve meter aan platte stenen. Daarop een laag van ongeveer twintig cm aan kleinere stenen gemengd met kalk. Daarop ongeveer dertig cm aan kiezelsteentjes en grof zand gemengd met hete kalk. De toplaag bestond uit vijftien cm lava dat op keistenen leek. Dit zou de praktijk worden voor de komende 2000 jaar!

De Romeinse publieke transport service bestond uit de snelle dienst en de vrachtdienst. Dit naast het reizen en transport door privé personen. De meest gebruikte middelen van vervoer waren de tweewielige strijdwagen getrokken door twee of vier paarden en de vergelijkbare kar voor het platteland. De raeda (een Gallisch woord voor een vierwielige wagen) was de voorloper van de diligence. Er bestond ook een vracht raeda getrokken door acht paarden in de zomer en tien in de winter en die mocht niet meer dan 1000 Romeinse ponden (ongeveer 330 kilo) vervoeren. De transportsnelheid varieerde van zo'n twintig km per dag door de vrachtdienst en 120 km door de snelste postdienst.

terug naar Overzicht


44.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Wegenbouw II

In het Romeinse keizerrijk, voor de eerste maal in de geschiedenis, werd er een systeem gemaakt van volledig geïntegreerde wegen en van steden geïntegreerd door wegen. Het voornaamste doel van deze wegen was voor het militaire apparaat en voor het uitvoeren van de administratie. Transport van koren en andere omvangrijke ladingen werd bijna altijd per eenvoudig schip uitgevoerd, omdat vervoer over land te duur en te lastig was.

De strijdwagen was snel genoeg om een relatief snelle communicatie te waarborgen, indien tenminste een redelijk aflopend oppervlak kon worden gemaakt. De Romeinen kregen dit voor elkaar door het onderdek van de weg droog te leggen en daarna platte stenen te gebruiken, zoals reeds is gezegd. Maar weinig wegen waren breed genoeg voor twee transport wagens. In feite waren de wegen vaak behoorlijk nauw voor zelfs een enkele transport wagen. De meeste wegen waren echter breed genoeg voor twee strijdwagens.

Een andere reden waarom de wegen voornamelijk geschikt waren voor het begaan door mensen en losse paarden, was dat de Romeinen niet bepaald succes hadden geboekt in het uitvinden van een goed harnas en een goed draaisysteem voor de wielen. Zij hadden gemeen met andere zuidelijke culturen dat zij ossen gebruikten en wisten hoe deze te gebruiken qua hun kracht. Hiervoor maakten zij gebruik van eerst het hoorn juk en daarna het schoft juk.

Maar zij boekten geen technische vooruitgang voor de wagen met twee en vier wielen. De wielen werden stijf vastgemaakt aan de as. Dit betekende dat in een bocht het andere wiel voortgesleept moest worden. Bovendien werden de assen stijf verbonden met het frame van de kar, zodat een sturende beweging de kar in de goede richting forceerde in plaats van hem in de goede richting te draaien. Alleen de Kelten hadden tegen die tijd ontdekt hoe je een vooras met een draaipunt moest maken.

terug naar Overzicht


45.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeins Vervoer I

Het eerste en meest simpele voertuig dat in Rome gevonden werd, was de plaustrum. Het was weinig meer dan een platte plank gedragen door vier wielen. De wielen werden stijf verbonden aan de as die ook hecht aan de kar zat. Dit maakte dat het sturen van de wagen moeizaam verliep en dat de efficiëntie zeer laag was. Deze zorgen en het feit dat er geen goed trektuig was uitgevonden om de trekdieren aan de kar vast te maken-alleen de Kelten hadden in Romeinse tijden een goed trekharnas uitgevonden-waren er de oorzaak van dat vracht transport over de weg kostbaar en tijdrovend was.

De meest imponerende vaardigheid van de Romeinen wat betreft transport was de zogeheten cursus publicus (zoiets als 'publieke renbaan'). Deze dienst van posterijen was begonnen door staatskoeriers die informatie en diplomatieke instructies tot in de verre uithoeken van het rijk brachten. Binnen betrekkelijk korte tijd werden er post diligences georganiseerd die de verschillende provincies met elkaar verbonden. Dit waren niet werkelijk echte publieke posterijen, omdat ze bestemd waren voor mensen die voor de keizer werkten en voor de rijken en machtigen.

De cursus publicus werd strikt geregeld wat betreft de grootte en capaciteit van zijn voertuigen. Ook werd er precies gespecificeerd wie ze mocht rijden, voor wat voor soort doel en wie een voertuig moest onderhouden. Vanwege de hoge kosten voor de bouw en het onderhoud van wegen, werd vervoer strikt geregeld en ervoor gezorgd dat er een relatief licht maximaal gewicht gehandhaafd werd voor de verschillende vervoermiddelen.

Toen het Romeinse rijk zijn vitaliteit verloor, verviel de cursus publicus aan vriendjespolitiek en werd het slachtoffer van misbruik. Met de ondergang van het keizerrijk verdwenen de buitengewone kwaliteiten van het systeem. Pas in moderne tijden zou de cursus publicus geëvenaard worden.

terug naar Overzicht



46.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeins Vervoer II

Transport werd in het algemeen uitgevoerd volgens oude gebruiken. Het zeilschip kreeg een gladde scheepshuid in plaats van klinkwerk en een volledig ontwikkelde kiel met voor- en achtersteven. De oude Grieken gebruikten een vierkant of rechthoekig zeil om de wind op te vangen en indien de wind tegen was, waren er twee (of één) rijen roeiers om het schip voort te bewegen. De Grieken maakten een begin om een speciaal soort vechtschip te maken met een rammei aan de voorsteven. Ook kwamen er vrachtschepen zonder roeiers en was men volledig afhankelijk van de wind. Deze ontwikkelingen waren volledig in de tijd van klassiek Griekenland. De Romeinen namen beide vormen over zonder bijzondere vernieuwingen.

De Romeinen besteden veel meer aandacht aan hun wegennet dan aan transport over zee. Zo ontwikkelden zij een opmerkelijk wegennet met aandachtig geplande wegen zowel wat de ligging als de constructie betreft. Het wegennet strekte zich wijd en zijd uit door alle provincies van het keizerrijk. Over deze wegen marcheerden de legioenen naar waar er ook maar een crisis was. De wegen dienden ook voor de ontwikkeling van handel, maar hun primaire functie was toch altijd om het uitgestrekte keizerrijk in bedwang te houden.

Op het hoogtepunt van de Romeinse macht verbond de handel over land zich met de culturen van Europa, Noord Afrika, Klein Azië, China en India. Maar het systeem van transport over de weg was afhankelijk van de Romeinse, Chinese en Mauriaanse rijken. Toen deze grote rijken vervielen, werden de handelswegen invasieroutes voor vijandelijke legers. Bijna overal kwamen de wegennetten tot eeuwenlang verval. Vracht transporten werden vervangen door troepen lastdieren die over de slecht begaanbare wegen konden gaan en voldoende waren om de verminderde stroom goederen te verplaatsen. Het zou tot de twaalfde eeuw duren voordat de situatie verbeterde.

terug naar Overzicht



47.9 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Hoger Onderwijs I

Omdat de redenaarskunst verreweg het belangrijkste onderwerp van hoger onderwijs was, voelden de Romeinen niet dezelfde drang om de andere rivaliserende takken van kennis te latiniseren. Slechts een beperkt aantal specialisten met ongewone beroepen waren betrokken bij die takken en zij gebruikten de Griekse taal. Cicero was wel net zo ambitieus wat betreft filosofie als de redenaarskunst en hij bewees dat het mogelijk was om te filosoferen in het Latijn, maar filosofie vond geen opvolgers voor Cicero zoals de redenaarskunst die had. Er bestond nooit een Latijnse school voor filosofie. De Romeinse filosofen gebruikten de Griekse taal. Zelfs keizer Marcus Aurelius deed dat. Zij die, evenals Cicero, in het Latijn schreven, zoals Seneca, hadden de studie filosofie in het Grieks gevolgd. Zo was het ook in de andere takken van kennis, vooral in de geneeskunde. Zeer lang bestonden er geen medische boeken in het Latijn, behalve encyclopedieën op een populair niveau.

Maar aan de andere kant schiepen de Romeinen een andere vorm van hoger onderwijs, namelijk met de juridische school. Dit was de enige school zonder equivalent in de Hellenistische wereld. Misschien zelfs meer dan de redenaarskunst, gaf de juridische studie jonge mannen de gelegenheid om winstgevende carrières op te bouwen. In het begin bestond juridisch onderwijs alleen voor de 'loopjongen' in de praktijk. De professor in de rechtsgeleerdheid was voornamelijk een advocaat of rechter met zijn 'discipelen' die erbij waren wanneer hij zijn pleidooi voerde of recht sprak.

In de tijd van Cicero en zeer zeker onder zijn invloed werd juridisch onderwijs geëvenaard door een systematische en theoretische uitleg. Zo werden de Romeinse wetten opgenomen in de rangorde van de wetenschappen. Echte scholen werden opgericht en namen een officieel karakter aan. Dat zulke scholen echt bestonden is duidelijk uit de geschiedenis van de tweede eeuw n.Chr.

Het was in die tijd dat de juridische studie zijn eigen bepalende gereedschappen kreeg in de vorm van verhandelingen zoals de Institutiones Gaii, procedurele verhandelingen, commentaren op wetten en systematische verzamelingen van rechtsspraak.

terug naar Overzicht



48.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Hoger Onderwijs II

Rome als de hoofdstad van het keizerrijk bleef het centrum voor hoger onderwijs wat betreft juridische studies. Echter aan het begin van de derde eeuw n.Chr. verscheen er in het oosten de school van Beiroet. Men gaf les daar in het Latijn en ondanks de taalbarrière schreven er zich vele Grieken in. Dit omdat het de weg opende naar een hoge administratieve functie of juridische carrière. Praktisch alleen een carrière als jurist kon een Griek overtuigen om Latijn te leren. Want alle talen behalve het Grieks waren in hun ogen 'barbaars'.

Hand in hand met de romanisering van de provincies werd het keizerrijk bedekt met een netwerk van scholen. De lagere school bleef altijd privé, maar taalscholen en scholen voor de redenaarskunst kregen steeds meer het karakter van openbare instituten. Evenals in de Hellenistische wereld werden deze ondersteund door privé fondsen of door een stadsfonds. Het kwam er altijd op neer dat de stad verantwoordelijk was voor hoger onderwijs.

De liberale centrale regering van het vroege keizerrijk, ook wel hoog keizerrijk genoemd (tegenover het latere 'lage' keizerrijk), was er op gebrand om de kosten van het administratieve apparaat tot een minimum te beperken. Het vergenoegde zich ermee om hoger onderwijs aan te moedigen en om een carrière als leraar te stimuleren door fiscale ontheffingen.

Het was maar zelden dat een keizer stoelen voor hoger onderwijs schiep en dan ook nog ze voorzag met een regelmatig honorarium. In 69-79 n.Chr. schiep Vespasianus twee stoelen in Rome voor welbespraaktheid in Grieks en Latijn. Marcus Aurelius, de keizer die zozeer in filosofie was geïnteresseerd, schonk Athene, 161-180 n.Chr., een stoel voor de redenaarskunst en vier stoelen voor de filosofieën van de vier grote gangbare bewegingen-Platonisme, Aristotelianisme, Epicureanisme en Stoicisme.

terug naar Overzicht



49.9 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Jurisprudentie I

Als wettelijk systeem heeft de Romeinse vorm van jurisprudentie de ontwikkeling van wetgeving in de meeste westerse landen beïnvloed en ook in delen van het oosten. Het vormt de basis van de wetboeken in de meeste landen van Europa en van afgeleide systemen elders.

De Romeinse justitie werd voor het eerst waargemaakt toen de zogeheten twaalf tafels werden opgesteld als een soort wetboek (451-450 v. Chr.). Voorheen waren procedures en regelgeving het privilége van de opperpriesters (pontifices). Zij behoorden tot de regerende patricische klasse. Dit wetboek werd opgesteld in het forum in Rome d.m.v. houten of bronzen tabletten. Hierin werden wetten betreffende publieke en religieuze, privé en criminele zaken vastgelegd. Zo werden zij publiek gemeengoed en kon iedere burger zich erop beroepen. De 'twaalf tafels' waren zo belangrijk dat zelfs verouderde wetten niet herroepen werden totdat onder keizer Justinianus in de zesde eeuw n.Chr. er een algehele reorganisatie van het wetssysteem plaatsvond.

De Romeinse justitie regelde zaken van erfgoed, verplichtingen (ook contracten voor leningen), eigendomsrecht en persoonsgebonden zaken (familiezaken, slavenzaken en burgerschap). In de vroegste tijden had de paterfamilias (oude tweede naamval voor 'vader van de familie') bijna absolute macht over zijn familie (slaven incluis) en zijn bezittingen. Dit werd de patria potestas genoemd. Hij bezat alle rechten over personen en goederen. Een dochter bleef onder de patria postestas totdat zij huwde of uitgehuwelijkt werd. Daarna viel zij onder de potestas van haar echtgenoot. In de loop der tijden werden vele van de hardvochtige aspecten van deze macht verzacht, maar in zijn geheel bleef zij overeind tot het einde.

terug naar Overzicht



50.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Jurisprudentie II

In het begin, toen Rome nog een onbelangrijke stad was, betroffen de wetten alleen haar burgers (cives) en regelden deze wetten (leges) hun onderling gedrag. Deze wetten waren in de eerste plaats persoonlijk bedoeld, meer dan territoriaal. Een buitenlander (peregrinus) die in Rome vertoefde, bezat geen rechten. Tenzij zijn staat een formeel verdrag met Rome had getekend. Dit soort wetgeving werd burgerrecht (jus civile) genoemd en het ontwikkelde zich deels door de promotie van ongeschreven gewoonten tot het niveau van geschreven wetten en deels door de behoefte naar nieuwe wetgeving omdat Rome steeds rijker werd.

Vooral na de eerste Punische oorlog werd Rome een regionale macht die door allerlei peregrini (buitenlanders) werd bezocht. Deze mensen gevoelden allen de noodzaak van wettelijke bescherming in hun omgang met de Romeinen. Daarom, hoewel de reikwijdte van de jus civile zich steeds meer verspreidde, naarmate meer peregrini het Romeinse burgerschap kregen; ontwikkelde zich nu het zogeheten jus gentium ('de wet van de volkeren'). Deze wet regelde aanvankelijk commerciële activiteiten tussen burgers en buitenlanders, maar later werd zij bindend voor alle onderdanen. Uiteindelijk schonk Rome het burgerschap aan allen onder haar macht (vgl. Hand. 22: 25-28).

Wetten werden op verschillende manieren bekrachtigd. De jus civile ontstond door wetgeving, de jus gentium door de regels (edicta) van de verschillende magistraten-meestal een praetor. De eerste keizers gebruikten het zogeheten senatusconsultum (besluit van de Senaat), maar later keizers omzeilden alle bestaande wetten door de constitutiones principium (decreten van de keizers). Dit alles maakte de verzameling van Romeinse wetten zo ingewikkeld dat geleerde juristen beroepen werden om de wet de interpreteren d.m.v. zogeheten responsa prudentium ('antwoorden van wijze mannen'). Deze antwoorden maakten de situatie nog complexer omdat ze zelf ook rechtsgeldig waren en omdat de verschillende decreten, wetten, antwoorden, enz. meestal niet op dezelfde plek te vinden waren.

Verschillende pogingen werden ondernomen om alle wetten te verzamelen en ze te vereenvoudigen. Dit lukte pas goed en wel in de zesde eeuw n.Chr. onder de Byzantijnse keizer Justinianus die zijn Codex Constitutionum uitgaf in 529. Alle wetten die niet hierin voorkwamen, waren automatisch verouderd. Deze codex, tezamen met zijn latere digest (samenvatting), instituten en novellen-of nieuwe besluiten-vormen het Romeinse erfgoed van de wetsgeschiedenis.

terug naar Overzicht



51.6 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Jurisprudentie III

Evenals de Romeinse wet ontwikkelde zich ook de Romeinse wetsprocedure over eeuwen. In haar laatste vorm werd zij de basis voor moderne procedures in landen met burgerrecht. Er waren in totaal drie stadia van ontwikkeling die in elkaar over gingen, namelijk de legis actiones, die in de vorm van de Twaalf Tafels duurden van de 5de eeuw v.Chr. tot de 2de eeuw v.Chr.; het formulaire systeem van de 2de eeuw v.Chr. tot de 3de eeuw n.Chr.; en de cognitio extraordinaria, die gangbaar waren in het postklassieke tijdperk.

Evenals in vroege tijden was het de gewoonte in het formulaire systeem dat de aanklager de gedaagde opriep om voor het gerecht te verschijnen. Maar nu moest de kwestie eerst omschreven worden omdat rechtsgevallen complexer waren geworden. De magistraat besliste of de zaak voor de rechter verscheen. De rechter, judex, was vaak een prominente leek en het was de magistraat die erop toe moest zien of een uitspraak nageleefd werd. In het geval van de Apostel Paulus in Hand. 16: 35-39 waren de hoofdlieden waarschijnlijk bang voor rechtsvervolging door Paulus. Hij wees hun wel op hun fout, maar vervolgde hen niet. Het feit dat zij en plein public hem uitgeleide deden, vond hij genoeg voldoening.

In het derde en laatste systeem werd nog meer macht gegeven aan de magistraat en aan het gerechtshof. De oproep tot verschijning werd uitgevaardigd door het gerechtshof, de rechtszaak werd in zijn totaliteit voor de magistraat gehouden en het gerechtshof was verantwoordelijk voor de naleving. Verder ontwikkelde zich er een systeem van beroep. Op deze manier werd de staat betrokken bij zowel de administratie van rechtsspraak als de handhaving van de wetsregels; vergelijkbaar met de procedure in moderne Europese staten.

terug naar Overzicht



52.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Krijgskunst

Soms was de Romeinse krijgskunst inventief, zoals in het geval van de grote belegeringskatapulten die afhankelijk waren van zowel torsie als spanning; maar de standaard uitrusting van de Romeinse soldaat was eenvoudig en behoudend. Een legionair werd beschermd door een ijzeren helm en borstharnas en een eenvoudig schild en viel aan met een vrij kort zwaard en een speer met een ijzeren punt. Aangezien de meeste vijanden ook uitgerust waren met ijzeren wapens en soms met superieure middelen zoals de Keltische strijdwagens, moesten de Romeinen het voornamelijk van organisatorische plannen en van keiharde discipline hebben.

In de late oudheid, dus in het vroege Rome, verveelvoudigde zich de hoeveelheid aan ijzeren wapens. Er veranderde verder weinig. Het ontwerp van wapens bleef vrijwel onveranderd en middelen van transport bleven op zich eenvoudig. Zware infanterie moest bijna altijd de doorslag geven.

Waar in de Middeleeuwen het paard tot de overwinning moest voeren, moesten de Romeinen door pure lichamelijke inspanning de vijand bedwingen. Zware infanterie domineerde de krijgskunst totdat in de vierde eeuw n.Chr. er een systeem kwam waarin men de cavalerie stootaanvallen deed plegen.

Echter de Romeinen waren meesters in het bewerken van hout en brons voor de krijgskunst. De standaard voor het timmerwerk van Romeinse schepen was ook veel hoger dan van de daaropvolgende tijden. Patronen van de legerlaars geven blijk van het feit dat ook de kunst om leder te bewerken bijzonder hoog was.

terug naar Overzicht




53.6 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Centurion

De centurion (van centum 'honderd') was de voornaamste beroepsofficier in het Romeinse leger. Hij was de bevelhebber over een centuria, een groep van honderd soldaten en de kleinste eenheid in een legioen. Een legioen bestond uit 6000 soldaten en was onderverdeeld in 10 cohorten. Iedere cohorte bevatte 6 centuriae. Er waren dus 60 centurions in een legioen.

De centurions in een legioen werden gerangschikt volgens een ingewikkelde constructie met verschillen in autoriteit en verantwoordelijkheid van de hoogste tot de laagste rang. In werkelijkheid bestond er weinig verschil in status tussen de meeste Centurion rangordes. Echter de eerste Centurion van het eerste cohort, die de primus pilus genoemd werd, nam de voornaamste plaats in. Deze officier nam deel aan de oorlogsbesprekingen samen met de aanvoerder van het legioen en de zogeheten militaire tribunen. Van de hoofdman over honderd die in het N.T. genoemd wordt, wordt verder in dit verband niets gezegd.

De meeste centurions waren plebejers (verg. 'plebs'). Zij werden gerekruteerd onder de gewone soldaten en vormden de ruggengraat van het legioen. Het waren de centurions die verantwoordelijk waren voor het handhaven van de discipline. Zij ontvingen aanzienlijk meer soldij en een groter aandeel in de oorlogsbuit dan gewone soldaten.

terug naar Overzicht



54.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Vroege Gemeenten

Van Pergamus, de derde geloofsgemeente genoemd in Openbaring 2, wordt gezegd dat ze woonde waar satan zijn verblijf heeft. Men denkt hierbij wel aan de tempel van Asklepios (Aesculapius in het Latijn). Hij was de heidense god van de genezing en werd ook 'heiland' genoemd. Anderen denken aan het grote altaar van Zeus. Weer anderen wijzen erop dat Pergamus het centrum van de keizerverering was in Asia. De Romeinen hadden er een tempel voor de god Augustus gebouwd en de godin Rome. Later werd er ook een tempel voor Trajanus gebouwd. Zo kreeg deze stad de titel van 'dubbele tempelwachter'.

De schutsengel van Thyatira was Tyrimnos vereenzelvigd met de zonnegod Apollo, de zoon van Zeus (voor de Romeinen 'Jupiter'). Christus als de morgenster met zijn voeten als van blinkend koper, wordt hier tegenover gesteld. In die vroege gemeente was er een vrouw die de bijbel naar de vrouw van koning Achab noemtBIzebel. Deze vrouw wierp zich op als leidster en profetes en net als de vrouw in het Oude Testament liet ze de vroege christenen daar aan de afgodendienst meedoen. Dit betekende een dubbele afval van het geloof. Geestelijke ontucht wordt dit in de bijbel genoemd. En meestal ging het samen met letterlijke gewijde ontucht. De stad was rijk aan handelsgilden en een christen die trouw de waarachtige God wilde dienen deed dat ten koste van grote schade. De verwijzing naar de 'diepten of diepe dingen van satan' zou erop kunnen duiden dat deze vrouw de gnostische idee leerde dat gelovigen zich gewoon konden mengen in occulte dingen, omdat ze daar toch boven konden staan.

Van Loadicea wordt gezegd dat ze noch koud noch heet is. Sommigen zien hier een verwijzing in naar de hete en geneeskrachtige waterbronnen van Hierapolis die, aangekomen bij Kolosse wel koel en verfrissend waren, maar bij Laodicea waren ze lauw en daarom vies. In de brief aan Laodicea wordt gewag gemaakt van ogenzalf. Nu wilt het dat Laodicea beroemd was vanwege de zogeheten tephra Phrygia een ogenpoeder dat in de vorm van tabletten werd verkocht. Deze tabletten werden vermalen en als pasta op een zeer oog aangebracht. Dit wordt allemaal geestelijk toegepast.

terug naar Overzicht



55.8 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Keizercultus I

De cultus van de keizer was een politiek instrument om het keizerrijk emotioneel en religieus te verenigen en om plaatselijke verschillen te vereffenen. Al in het oude Egypte werden de farao's aanbeden. En Alexander de Grote had al titels, symbolen en aanspreekvormen ontvangen die hem vereerden als een bovenmenselijk wezen. In het oosten was het de gewoonte om de koning als een soort god te vereren. De opvolgers van Antiochius droegen de titel 'epifanes' (de geopenbaarde god).

In Rome geloofde men dat hun grondlegger, Romulus, na zijn dood de god Quirinus was geworden. Enkele maanden na de moord op Julius Caesar richtte een bewonderaar van hem een pilaar op over de as van zijn gecremeerde lichaam en vereerde hem als een god. Toen in juli van dat jaar, 44 v. Chr., ook nog eens plotseling een komeet verscheen tijdens herdenkingen van Caesars overwinningen, was de vergoddelijking nog slechts een formaliteit; vooral door het toedoen van Octavianus de geadopteerde zoon van Caesar, beter bekend als Augustus.

In 12 v. Chr. zorgde Augustus ervoor dat zijn genius (geleidegeest) goddelijke eer ontving. Maar in het westen werd de keizer tijdens zijn leven overigens nooit als god aanbeden. In het oosten daarentegen werd hijzelf zonder meer als god vereerd. En keizers als Gajus, Nero en Domitianus namen hun goddelijkheid zeer ernstig. Op deze manier werden politieke banden gesmeden en werd trouw aan de staat in een bepaalde richting gestuurd.

terug naar Overzicht



56.9 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Keizercultus II

Christenen namen geen deel aan het geven van een gelofte aan de staat en aan de keizer en werden daarom als zeer gevaarlijke lieden beschouwd. Vooral onder de drie reeds genoemde keizers konden de gevolgen zeer ernstig zijn. Hun 'keizergod' was Christus die in het geval van de belastingmunt een duidelijk onderscheid had gemaakt tussen het rijk van de wereld en het rijk van God. Zijn volgelingen hielden zich zo goed mogelijk aan dit belangrijke onderscheid.

De keizer mochten zij wel eren, maar niet aanbidden. Daarom bogen zij niet hun knieën voor de keizer en offerden ook geen wierook voor hem op. De keizerlijke titels van divi filius (godenzoon) en pontifex maximus (opperpriester) golden wat hen betreft alleen maar voor Jezus Christus. 'Jezus is Heer' ging niet samen met 'de keizer is heer'. Dit werd opgevat als een belediging tegen de staat, tegen de keizer en tegen de goden en als ontrouw.

Plinius, een vrij goed bekende administrateur, schreef aan keizer Trajanus dat wanneer iemand hardnekkig bleef weigeren om de gebruikelijke eerbetoning te geven aan de goden en aan de keizer, zo iemand zich schuldig maakte aan contumacia (hooghartige weerspannigheid). Volgens hem was de juiste straf de doodstraf.

terug naar Overzicht



57.8 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Religio en Superstitio I

De Romeinen onderscheidden tussen religio en superstitio. Het eerste duidde in zonderheid op de staatsreligie. Het was de uitwendige band tussen de mensen en de goden, volgens een legende teruggaande op een verdrag tussen de eerste Romeinse priesterkoning en Jupiter, de oppergod. Op grond van dit verdrag zagen de goden om naar Rome en de staat moest de goden tevreden houden. Het bleef privé zaak of men werkelijk in de goden geloofde, maar men werd geacht aan de staatscultus mee te doen. Zelfs atheïstische Romeinen prezen deze cultus; een houding die ook bij een man als Plato gevonden werd.

De Romeinse staat bevocht nooit iemands goden, maar gaf die dezelfde status als haar eigen, vergelijkbare goden. Was er geen vergelijkbare god of godin, dan werd een aparte plaats voor de vreemde god ingeruimd in het pantheon. Dit ging goed tot de Joden werden ingelijfd. Dezen dulden het niet dat Jahweh vergeleken werd met Jupiter, of op gelijke hoogte met de andere goden werd voorgesteld. De Romeinen vonden een praktische oplossing: de Joden mochten hun enghartige godsdienst beoefenen, als ze maar voor de Romeinse staat baden. Na de verwoesting van Jeruzalem moesten de Joden zelfs een geloofsbelasting betalen als enigen, maar in het algemeen werden zij niet vervolgd.

terug naar Overzicht



58.9 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Religio en Superstitio II

Superstitio was voor de Romeinen wat voor ons sekten zijn en op zijn best waren het persoonlijke geloofsovertuigingen. Uitspattingen werden meestal tegengegaan. Zo pakte keizer Tiberius de Isiskultus aan toen een vooraanstaande vrouw door een als de god Anubis verklede deelnemer verkracht werd. De verantwoordelijke priester werd gekruisigd, de tempel verwoest en het beeld van Isis werd in de Tiber gegooid. Het Bacchanaal werd al in 186 v. Chr. verboden, niet alleen vanwege de orgiën, maar ook omdat men het als staatsvijandig beschouwde. De druïden werden praktisch uitgeroeid door keizer Claudius. Magie werd ook als gevaarlijk beschouwd, omdat er van uitgegaan werd dat men het primair voor zijn eigen voordeel zou uitoefenen. Al deze zaken gingen echter door in het geheim.

Het Christendom bekeerde in principe ieder, rijk of arm, geleerd of eenvoudig en was daarom ook een superstitio. In 64 n. Chr. werden de christenen van de brandstichting van Rome beschuldigd. Daarna kon ieder die lid was van wat werd beschouwd als een 'sekte' die de maatschappij vijandig was, strafrechtelijk vervolgd worden. Het lukte Rome echter niet om het christelijke geloof geheel te verbannen als wetteloos, zoals dat bij sommige superstitiones wel lukte. Toch was de vijandschap vaak zo groot dat, als men zich bekeerde tot het christendom, men zich moest voorbereiden op het martelaarschap.

terug naar Overzicht



59.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Omstandigheden I

Er bestonden drie omstandigheden die de christenen in de Romeinse tijd ten gunste kwamen. Ten eerste hadden de Romeinen geen vaste wetten waarmee zij de aangelegenheden in de provincies regelden. De proconsul of procurator die de provincie bestuurde kon zelf zijn houding bepalen. Hij was niet verplicht zaken aan Rome te melden en was niet gebonden zich te houden aan Romeinse gewoonten. Bovendien bestond er in Rome geen vaste handelwijze betreffende de meeste delicten. Zolang er dus geen algemene wet aangaande de christenen vast stond, bepaalde de bestuurder zijn eigen houding. Zou kon een Plinius zijn positie gebruiken om de christenen aan te horen en een Gallio (Hand.18:12-17) juist om zich afzijdig te houden.

Ten tweede bezat alleen de proconsul de macht om rechtszaken uit te oefenen en uitspraken te doen. Deze Romeinse volmacht kon aan niemand anders doorgegeven worden. Alleen in noodzakelijke gevallen kon een proconsul assistenten aanwijzen.

De derde omstandigheid die ten gunste van de christenen kwam, was dat er geen openbare aanklager in die tijd bestond. Een privé persoon moest de aanklacht naar voren brengen en doorvoeren. Een kleine tijd werden door Tiberius en Domitianus anonieme aanklachten toegelaten, maar Trajanus schafte dit gebruik af, omdat men het als on-Romeins en niet populair verachtte. Het was een zeer serieuze zaak om een aanklacht aanhangig te maken bij de proconsul.

terug naar Overzicht



60.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Omstandigheden II

Er bestonden echter ook omstandigheden die tegenwerkten. Zo werden de vroege christenen van diverse overtredingen verdacht. Men beschuldigde ze van atheïsme. Van de Joden kon men nog wel verdragen dat ze de goden niet eerden. Maar dat een groep mensen die uit alle volken en uit alle lagen van de bevolking kwam en de goden verwaarloosden, dat kon men niet velen. Bovendien stond dit gelijk aan staatsschennis.

Verder werden christenen verdacht van incest en kannibalisme. Mensen als Plinius die goed geïnformeerd waren, wisten dat deze aantijgingen onwaar waren. Maar vele Romeinen gingen af op geruchten. Deze ontstonden zeer waarschijnlijk doordat christenen elkaar innig liefhadden en elkaar broeders en zusters noemden. Het avondmaal was voor hen symbolisch het vlees en bloed van Christus, vandaar de beschuldiging van kannibalisme.

Het feit dat de vroege christenen zich streng afzonderden van de wereld versterkte dit soort geruchten alleen maar. Fantasie en roddel verergerden ze. Helaas waren er ook vreemde sekten die deze reputatie misbruikten om inderdaad schandelijke praktijken uit te oefenen. Al deze zaken droegen er toe bij dat de vroege christenen van een verderfelijke vorm van superstitito beschuldigd werden.

terug naar Overzicht



61.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Een Slechte Reputatie

De vroege christenen werden zeer vaak betiteld als 'schandvlekken'. In de tweede eeuw n. Chr. legt de bekende Tertullianus uit dat christenen zich zo afzijdig hielden omdat ze hun Heer en God wilden dienen en in Zijn voetsporen wilden gaan. Dit betekende voor hen dat zij niet aan publieke spelen konden meedoen. Omdat alles doordrenkt was van afgodendienst meden christenen het optreden van de gladiatoren, de kansspelen, wedstrijden en de theatervoorstellingen. Men las geen heidense literatuur. Men meldde zich niet als militair om conflicten met het geloof te voorkomen. Schilder of kunstenaar kon men ook niet worden, ook vanwege de afgoden. Men kon zelfs geen leraar worden omdat men dan de onzedige afgoden moest prediken. Zakelijke contracten moesten vaak vermeden worden omdat een verwerpelijke eed daaraan verbonden was. Als ambtenaar moest men zich ook verbinden aan de afgoden. Dat kon dus ook niet.

Aan het einde van de tweede eeuw n. Chr. moest Tertullianus er de nadruk op leggen dat christenen ook mensen van vlees en bloed zijn. Hij schreef: "Wij leven onder jullie, eten hetzelfde voedsel, dragen dezelfde kleren en hebben dezelfde gewoonten en behoeften. Wij zijn geen Indische brahmanen of asceten die in bossen wonen en zich aan het gewone mensenleven onttrekken. Wij zijn met jullie in de wereld en mijden noch de wet, noch het abattoir, noch het badhuis, noch de verkoopplaats, noch de werkplek, noch het hotel (restaurant), noch de markt. Wij gaan met jullie naar het meer. Wij strijden met jullie; wij ploegen met jullie en delen met jullie zakelijke aangelegenheden." Men kan zich afvragen of de heidenen onder de indruk kwamen van dit pleidooi. Zij hadden zo vaak het tegendeel gehoord.

terug naar Overzicht



62.8 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Intellectuele en Sociale Tegenstellingen

Boven op de heidense redenen tegen het Christendom, die ook al gebruikt werden tegen het Jodendom, kwamen nog diverse andere tegenwerpingen. Volgens de ideeënleer van Plato bestond waarheid in het geheel der dingen, niet in een enkel tastbaar 'voorwerp' zoals de geboorte, het lijden en de opstanding van Christus.

Bovendien werd het kruislijden veracht door de intelligentsia. Wie wil er nu geloven in een Koning die juist zo'n dood verkiest als redmiddel van de wereld? Wij zijn gewend aan heersers die hun macht laten gelden, niet aan een heerser die Zichzelf vernedert. Voor de Romeinen was het kruis een teken van schuld, zwakheid, nederigheid en slaafsheid. Voor de Grieken betekende het ook nog eens dwaasheid. Christenen werden in het algemeen veracht, omdat ze meestal uit de minder bedeelden kwamen.

Het Rome van de eerste eeuw was corrupt. Geen van de vele mysterie religies vereiste een algehele bekering en een algehele nieuwe moraal. Het Christendom deed dat wel. Dit betekende een enorme toewijding en radicale keuze van de zijde van de christen. Het leven was doordrongen van de afgodendienst. Neem nu bijvoorbeeld de arbeidersgilden. Een arbeider die christen werd moest opeens weigeren aan feesten in de tempel mee te doen. Deze feesten werden als zeer belangrijk ervaren. De arbeiders ervoeren daar samenhorigheid, gezelligheid, wisselden hun kennis uit en de patronen deden er zaken. Maar dat ging gepaard met tempelprostitutie en plengen aan de afgoden.

terug naar Overzicht



63.12 De Achtergrond van Het Nieuwe Testament: Efeze, de eerste gemeente

Er is veel voor te zeggen dat de zeven gemeenten in Openbaring zeven achtereenvolgende perioden van de Kerk voorstellen. Zonder daar verder op in te gaan, betekent dat natuurlijk dat Efeze de eerste gemeente was en wel in de tijd die wij tot nu toe behandeld hebben.

De Here zegt tot de gelovigen van die tijd dat Hij hun werken kent, namelijk hun inspanning en volharding. Ook dat zij de pseudo-christenen meden als bozen en dat zij pseudo-apostelen aan de kaak hadden gesteld. In verband hiermee kunnen wij wijzen naar 1 Kor. 12:12, waar de tekenen van een echte apostel worden genoemd. Men moet niet menen dat de apostelen tot de twaalf beperkt waren. Net als de Apostel Paulus riep Christus ook anderen. (Volgens 1 Kor. 4:9 waren er na Paulus en die anderen [ook Johannes] geen apostelen meer geroepen).

Er wordt ook gezegd dat zij (veel) verdroegen omwille van Jezus' naam en dat zij daar niet moe van werden. Denk aan de christenen die geheel en al beroofd werden (Hebr. 10:34) en dat niet alleen gelaten maar met blijdschap ondergingen, wetende dat hun een eeuwig erfgoed wachtte. Maar de vroege christenen van deze tijd worden ook berispt door de Here die hun er van beticht dat zij hun eerste liefde hadden verlaten.

Zij werden dan ook opgeroepen om zich te herinneren hoe dat in het prille begin was en om wederom naar hun eerste werken te wandelen. Zo niet dan zou Hij hun kandelaar wegnemen. Dit is helaas ook gebeurd. Klein-Azië is nu niet christelijk maar voornamelijk Moslim land.

Verder werd er van hen gezegd dat zij de werken van de zogeheten 'Nicolaïten' haatten, 'die Ik ook haat' (Op.2:6). Het woord zegt het al: 'overwinnaars van de leken'! Maar voor hem die zou overwinnen, zou de boom des levens die in het paradijs (de derde hemel [zie 2 Kor. 12:2-4]!) is; in het verschiet zijn.

terug naar Overzicht

Wat vindt u van deze website?
Naam:
Emailadres:
URL:
Anoniem:
A. Zeer goed.
B. Vrij goed.
C. Gaat wel.
D. Vrij slecht.
E. Zeer slecht.
Toelichting: