home > dutch > gedichten > snakken naar God.php




Snakken naar God


D' avond viel, en het werd donker.

't Hemelwiel daar draaide door,

Brengend voort zo menig vonker,

Wijl 't geluid hier ging teloor;

Want zowel de mens als 't dier,

Waren nu erg zat en moede

Van het daag'lijks aards vertier,

Vluchtend in slaap, hopend 't goede.


Toen in rust, hier onder d'hemel,

Hief ik 't oog en richtt' ik 't hart

Weg van al het aards gewemel

Tot mijn God en zeide hard:

"Bron van alles wat is godd'lijk,

Brenger van de zaligheid,

Gij zijt rein, ja, gij zijt kost'lijk,

Gij bezit pas majesteit!


Maak mij vrij hier van de zonden,

Geef aan mij de vaardigheid

Om 't kwaad hier onomwonden

Te verslaan met krachtigheid.

Schep in mij een groot verlangen,

Net als 't hert dorst naar de stroom,

Meer en meer door U bevangen

Hier te leven rein en vroom.


Ja, met mijn gehele wezen

Snak ik zo naar U, oh God.

En begeer in heel mijn leven

U te 'drinken' in mij op.

Oh mijn Schepper, ied're vezel

Van mijn lichaam trilt door U.

Geef mij elke gulden regel

Te volbrengen wel voor U!



Energie uit U te scheppen,

Levensstromen groot van waard'!

Mij alleen voor U te reppen,

Levensbron van eigen aard!

Gans mij van U te doordringen,

Dat is waar ik slechts naar streef.

Rond te gaan in hemelkringen,

Dan en daar is 't pas dat 'k leef!


Een met U te zijn mijn Maker,

Goed te luist'ren naar Uw stem,

't Vaderhuis te 'zien' steeds vaker,

Dat is wat ik wil met klem.

In het binnenst Uwer boezem

Dicht bij 't kloppen van Uw hart,

Daar alleen maar te vertoeven,

Geef mij daaraan deel en part!


f.c.bouter


Vorig Volgend