home > dutch > gedichten > heere Jezus.php




HEERE JEZUS


Caput I

1. Ja, Vrede, Vrijheid en Vreugde

Geeft Gij mij genadevol.

Hoewel mijn harte niet deugde,

Laaft Gij mij met handenvol.



2. Mijn hart verheffe haar stemme,

Vrolijk klinke 't lofgezang.

Dat Uw persoon het 'omklemme',

Daar ik zo naar U verlang.


3. Uw Aanschijn stralet van Liefde,

Groot is Uw genegenheid.

Wanneer mijn dwaasheid mij griefde,

Redd' U uit verlegenheid.


4. O, dag aan dag overlaadt Gij

Mij met zegeningen zeer.

Met dat, waar heb ik zo'n baat bij,

Doet Gij mij omringen weer.


5. Wat zijt Gij dan wel voor wezen?

O, onpeilbaar diep bent U!

O, dat de sluiers nu rezen,

Mocht Gij toch verschijnen nu . . .


6. Mijn ziele smacht zo naar U, Heer.

Vurig kijkt mijn hart omhoog,

Verlangend telkens maar meer, Heer,

U te zien aan d'hemelboog.


7. Daarboven dicht bij Uw Vader,

Daar is ons gezaam'lijk thuis.

Van elke zegen de Ader,

Zulk een opent ons Zijn Huis.


8. Op wolken zult U verschijnen;

Prachtig zal d'ontmoeting zijn.

Uw Godsgestalte zal schijnen,

Witter nog dan sneeuw zo rein!



Caput II

1. Na dit verheven Gebeuren,

Leidt G'ons snel in 't Vaderhuis,

Door wijd geopende deuren.

Veilig voor altoos nu thuis.


2. Daar voor d'Almachtige Koning,

Voor Zijn emeralden troon,

En in Zijn God'lijke woning,

Brengen wij dank voor Zijne Zoon.


3. O, Gij zijt waardig onz' Heere,

Gij die 't al in 't leven riep,

Dat U men eeuwig verere,

Die genadig redd' en schiep.


4. Door al de schepselen samen,

Groot deez' mens' en eng'lenschaar,

Den driemaal Heil'gen, ja amen,

Wordt de eer gebracht aldaar.


5. Gelijk de sardius steene,

Schittert schoon Zijn Aangezicht;

De regenboog daar omheene

God'lijk groots dit heil'g Gezicht.


Caput III


1. En dan zult U ons omgeven,

Met het schoonste bruiloftskleed.

Versierd met Goddelijk leven,

Voor het feest geheel gereed.


2. Het groots begin der aeonen,

Voor de Bruid is eind'lijk daar.

Getooid met parels en kronen,

Tot de gasten Hij leidt haar.


3. O, zie de schit'rende stralen,

Schijnend als de jaspissteen,

't Gelaat door alle de zalen,

Spreidt van aard en hemel heen.


4. Immens de zeeen van gasten.

Zelfs uit elk geslacht en volk,

Ja, taal en velen der kasten,

Kwam te zaam deez' mensenwolk.


5. D'unieke glorie en pracht,

Van dit feest zo wonderschoon,

Voorwaar, 't is God'lijke kracht,

Die haar spreidt zo groots ten toon!


Caput IV


1. O, dan de zaal'gste der tijden,

Schouw Gemaal en Ega aan,

Zie hoe Zij daar zich verblijden,

Ja, met mens en engel saam.


2. O, schoonst', intiemste der banden,

Eeuw'ge Liefde, glansrijk klaar.

Wier schijnsel elk een der landen,

Hult in luister -- God' lijk waar.


3. Voor eeuwig nu bij de Heere.

O, de meest gezeg'nde staat.

Ja, waart is alle de Eere,

Hij die zegent zonder maat.


4. Van nu aan te mogen vertoeven,

In de eindeloze tijd,

Daar in de talloze hoeven,

Welk een welgelukzaligheid.


5. Daar op des hemels landouwen,

Groeit alleen volmaakte vrucht.

En al wat wij daar verbouwen,

Is bestemd voor God doorlucht.


Caput V


Onz' Heer, wijl dicht aan Uw zijde,

Gij die de Liefde zelve zijt,

En die ons hierheen geleidde,

Daaglijks U zich aan ons wijdt.


2. Van eeuwigheid en voor altoos

Is 't Uw vreugde en genot,

Die Gij als Bruid voor Uzelf koos

Te vermeerd'ren 't zalig lot.



3. Uw Liefde kent gene grenzen,

't Eigen leven Gij ons liet.

Wat kan Haar dan nog begrenzen,

't alles Gij als gift ons biedt.


4. O, Gij, onz' zielen te laven,

Uwer Liefde schoonst' gebaar,

De hoogste der God'lijke gaven,

Maakt Uw Vader openbaar.


5. Dit is van zulk ene schoonheid,

Mijner lippen faalt elk woord.

Alleen 't gevoel warer vroomheid,

Vat al wat bezit dit oord.


6. O-o, Heere, eeuwig 't za1 duren,

Eind'loos, ja, Uw Vader is.

Daarom oneidige uren

Zijn benodigd; ah gewis . . .


7. De eeuwigheid wordet zaal'ger

Al naar mate God wij zien;

Dus steeds een welgelukzaal'ger

Blijven hebt Gij ons te bien!


Finis

Oh hallelujah, ja amen,

Prijst Hem mens en engel zeer.

A-a-h, lovet Hem nu te zamen,

Eert Hem steeds weer meer en meer!


f.c.bouter


Vorig Gedicht