home > dutch > gedichten > adelaar.php


DE KONING


Wie gaat daar zo gevlerkt

Hoog door het blauwe hemelruim,

Zijn aanzien hoe gesterkt

En van zijn koers hij wijkt geen duim?


Zijn vleug'len wijd gespreid,

Hoe machtig klapwiekt hij daar voort.

In minder dan geen tijd

De lucht en wolken hij doorboort.


Oh, zie hoe lang hij zweeft

Na het der vlerken krachtig slaan.

Ah, zie wat vreugd hij heeft

In 't volgen van zijn snelle baan.


En zie hoe hij aldaar

Zich op de speelse stroom der lucht

Laat tillen. Omhoog als maar

Stijgt hij in zijne vrol'ke vlucht.


En niets zijn scherpziend oog,

Daar hoog, hier op dez'aard ontgaat.

In vlucht snel van omhoog

Hij haalt zijn doel geen tel te laat.


Geen spier is ongebruikt.

Al wat hij heeft, in kracht het leeft.

Met wat een vaart hij duikt

En hoe zijn macht hij erin geeft.


Hoe fel blikt toch zijn oog.

Wat energie zit daar wel in.

Hoe spant hij zijne boog.

Wee hem, voor wie zijn grim.


Hoe houdt hij zijne kruin,

De korte kop, hoe frank, hoe fier.

Zijn huid, goudgeel en bruin;

Wat schoonheid toch bezit dit dier.


Het moet de âd'laar zijn,

Veruit de machtigste der vôg'len.

De vorst van groot en klein

En geen rivaal zal hij gedogen.


Oh, Schepper groot en rein,

Dit dier spreekt van Uw Majesteit;

Eén beeld, al zij het klein,

Eén zijde Uwer Heerlijkheid!





Vorig Volgend