home > dutch > fictie > kortverhaal7.php


Zoektocht naar de Waarheid


Mijn naam is Shamira Rosenthal. Ik ben geboren en opgevoed in de boezem van een orthodoxe Joodse familie. Toen ik jong was, was ik trots op mijn religie. Ik dacht dat wij het énige volk waren dat zich aan al G*ds wetten hield. Maar toen ik ouder werd, slopen er twijfels bij mij naar binnen. Zo las ik in mijn gebedenboek dat een Joodse man trots is dat hij niet als vrouw geboren is en dat hij G*d daarvoor moet danken. Dit vond ik vreemd en het hield mij bezig. Ook kwam ik erachter dat wij zeker niet alle geboden onderhielden. Er zijn er honderden en sommigen zijn een overdrijving van wat er in de bijbel staat. De doorsnee Rabbi gaat gewoon verder dan G*d van ons vraagt. Bovendien is het grootste gebod om G*d lief te hebben en je naaste als jezelf. Volgens Mozes is dit de énige manier om gered te worden. Maar niemand op aarde kan daar aan voldoen. En wat het tiende gebod betreft, dat is ook onmogelijk om te houden. Dan was er het probleem van de offerandes. In de oude tijden hadden we de tempel met de dagelijkse offers. Dit was allemaal vernietigd. Als wij echt G*ds eigen volk waren, waarom had Hij dit dan allemaal toegelaten? Hoe konden wij vergeving ontvangen zonder de tempeloffers? Wat hadden wij, de Joden, gedaan om zoveel jaren van vervolging te lijden? Deze onzekerheden belaagden mij verscheidene jaren en zij werden alleen maar nijpender. Mijn ouders zeiden dat als je de geboden maar bewaart en G*d om vergeving vraagt voor je tekortkomingen, dan is er niets wat je verder nog kan doen. Dat betekende dan dat onze weg de juiste weg was. Maar dat stelde mij helemaal niet gerust. Echter, ik wenste geen van de alternatieven te overwegen, zeker niet het christendom. Want door de hele christelijke jaartelling heen hadden christenen ons vervolgd en elke misdaad begaan die je maar kunt verzinnen en dat zogenaamd in de Naam van G*d.


Toen ik achttien was, begon ik mijn eigen zoektocht; in het geheim, zodat ik geen problemen zou krijgen met mijn familie. Al snuffelende in een boekwinkel viel mijn oog op twee boeken, Buddhisme en yoga. Ik smokkelde ze het huis binnen en begon met mediteren en yoga op het strand dicht bij de Middellandse Zee. Het was een sprong in het duister, maar ik was min of meer desperaat en moest gewoon uit mijn geestelijke gevangenis breken. Alleen kwam ik echter niet ver. Dus begon ik rond te kijken naar één of ander guru die mij wilde helpen. Ik droomde ervan om Raya Yoga te bereiken, de hoogste trap.

Via een wederzijdse vriendin vond ik een zogeheten Jaguar vrouw, die mij zou helpen mijn paranormale kwaliteiten te ontwikkelen d.m.v. de chakra's. Zij legde mij uit dat er zeven hoofdchakra's bestaan. De chakra's zijn de punten van kontakt tussen het astrale lichaam en het materiële lichaam.

In die tijd lukte het mij ook een goed betaalde baan te regelen en verliet toen het ouderlijk huis om in alle rust me helemaal aan meditatie te wijden. Ik begon met moeilijke ademhalingstechnieken en diverse oefeningen. Na een tijdje kreeg ik het voor me kaar om de kundalini wakker te maken (de rustplaats van de godin Shakti; ongeveer waar het stuitbeentje zit) en langzaam maar zeker werkte ik me omhoog. Mijn gids assisteerde mij bij het omgaan met diverse demonen die ik op mijn pad in de geestelijke wereld tegenkwam. Ik voelde hoe gevaarlijk mijn reis was door de immateriële atmosfeer. En dat maakte het zo spannend voor mij! Ik had er geen idee van wat mij te wachten stond. Op een avond was ik aan het mediteren thuis en plotseling ervoer ik een extase die alle grenzen te buiten ging. Het leek wel of ik aan het zweven was door het heelal van ster naar ster! Opeens dacht ik dat ik kon vliegen. Ik sprong uit het raam en viel meteen naar beneden. Mijn wonden vielen mee, want ik was op het gras beland. Toch had ik mijn been gebroken. De buren hadden het gezien en dachten dat ik een zelfmoordpoging deed. Want ik was van de tweede verdieping naar beneden gesprongen. Zij brachten mij naar het ziekenhuis terwijl ik nog steeds als het ware 'high' was. Nauwelijks realiseerde ik mij wat er gebeurde. Het eerste wat de dienstdoende arts zei toen hij mij zag, was: 'Ze heeft zich volgespoten met drugs!' Dat hoorde ik later.

De volgende dag na de operatie, toen de verpleegster mij mijn eten bracht, hoorde ze mij mompelen over angstaanjagende monsters, felle lichten en prachtige muziek. Niet lang daarna werd ik overgeplaatst naar de psychiatrische afdeling. Mijn familie werd medegedeeld dat ik door een psychose ging. Ik kreeg zware drugs toegediend. Lange tijd liep ik verdwaasd rond, opgesloten op de afdeling. Regelmatig kwamen de psychotische aanvallen terug en de verpleegsters constateerden dat ik vaak kippevel had. Aan het einde van een half jaar was ik er redelijk bovenop gekomen. Echter, ik was bang dat ik getekend zou zijn voor het leven. In die tijd hield ik lange discussies met mijn psychiater, die de leer van Jung aanhing. Deze gesprekken kwamen op het volgende neer. Er bestaan gewoon geen immateriële monsters. De demonen, engelen en hemelse gezangen die ik ervaren had tijdens mijn meditaties waren in feite exteriorisaties van archetypen diep geworteld in mijn eigen psyche. Er bestaat geen G*d of goden. Maar ik wierp op dat andere mensen niet zulke ervaringen hebben en dat ik ze alleen ontdekte na jaren van training. Hij antwoordde mij dat hij geen parapsycholoog was en dat wij nog steeds bijna niets weten van het menselijke brein, waar honderden stoffen ronddwarrelen. Aangezien de medicatie echt werkte en ik mijn verstand had teruggekregen, geloofde ik hem min of meer. Ik ging weer bij mijn ouders wonen, omdat ik natuurlijk nog niet in staat was om volledig te werken en mijzelf te onderhouden.

Het was vreemd om weer in het ouderlijk huis te zijn. Ik geloofde niet meer in het Judaïsme, hoe mij vader het ook probeerde. Maar toen wij het Pascha vierden, gevoelde ik een diep verlangen naar de tijd dat ik nog een kind was, veilig in de boezem van de familie. Ik zuchtte diep, me realiserende dat de harde werkelijkheid die mij op mijn neus had doen vallen mij zou achtervolgen als een ree en wel voor de rest van mijn leven. Om de tijd door te brengen, begon ik met het lezen van diverse boeken. Toen ik over de holocaust las, werd ik een atheïste tot de ellende van mijn ouders. Mijn vader beargumenteerde dat het Joodse volk door de millennia heen had geleden en dat wanneer de Messias komt er een eeuwig en glorieus koninkrijk zal verrijzen. Ik kon het gewoon niet meer geloven, hoe graag ik dat ook gewild had. Hoe kon G*d de holocaust toelaten als wij Zijn geliefde dienstknechten waren? Nee, we moesten op onszelf terugvallen en er het beste van maken. Ik las Sartre en Camus en werd ook nog eens existentialiste en hedoniste. Ik had ook af en toe nog last van psychoses. De medicijnen konden gewoonweg de schade niet wegnemen. Ze waren op z'n best een onderdrukkingsmiddel. Ik werd moreel roekeloos en had affaires met verscheidene mannen. Toen mijn ouders daar achter kwamen, was er een hele rel, maar wat konden zij doen? Ik was te zielig voor hen om mij op straat te zetten. Terwijl het aantal mannen dat ik tegenkwam toenam, zo nam ook mijn gevoel van hopeloosheid toe. Het leven had geen betekenis, zo leek het. Geen van die mannen hield het bij mij uit. Zij wilden gewoon hun gerief bij mij halen.

Het leven verloor totaal haar betekenis. Ik voelde me als Sisyphus in de Tartarus, wiens straf bestond uit het een berg oprollen van een steen en zodra hij bovenaan was, rolde die weer naar beneden. Dit was zijn eeuwige bezigheid. Het leven was ondraaglijk voor me geworden. Ik dacht er serieus aan om zelfmoord te plegen. Toen kwam ik in contact met Joden voor Jezus. Ik ging naar een bijeenkomst waar iemand een lezing gaf over Jesaja hoofdstuk 53. Aan het einde gaf iemand mij een boekje met de titel 'Het Verboden Hoofdstuk' geschreven door één of andere Ostrovsky. Ik besloot het te lezen. Omdat die Joden voor Jezus echt een soort vrede over zich hadden, besloot ik dat ik het leven nog één kans zou geven, maar als dit boek niet het grote waarom van mijn leven beantwoordde, ik zeker zelfmoord zou plegen. De titel op zich was geen nonsense. Want het drieënvijftigste hoofdstuk wordt praktisch in de ban gedaan in de synagoge en in scholen. Ik deed bij mijn vader navraag en hij zei dat de profeet het over het volk Israel had daar. Echter, dat bevredigde mij niet. De schrijver zette zeer goed uiteen dat het volk Israel niet voor de gojjim (de volkeren in het algemeen) had geleden, maar 'onder' de naties. De evangelieën in het Nieuwe Testament waren in volmaakte harmonie met dit hoofdstuk. Er was iets vreemds aan dat boek, echter, of liever aan mij. Iedere keer als ik het probeerde te lezen, was het alsof duizend krachten mij ervan weerhielden om het te lezen. Maar wanneer ik het las, wat heel moeilijk was, dan kwam er een grote vrede over mij heen die mijn ziel als het ware omhelsde. Ik las hoe de Messias 'ons aller zondelast had gedragen'. Zeker, Israel had dit nooit gedaan. Maar Christus volvoerde een reëel en eeuwig zoenoffer eens en voor altijd voor het alomtegenwoordige kwaad in ons. Ik moest denken aan psalm 22, 'Mijn G*d, mijn G*d, waarom heeft u mij verlaten!' De Zoon des mensen was voor mij gestorven! Maar steeds wanneer ik mijn zonden en zondigheid probeerde te belijden voor G*ds aangezicht en tegenover Christus persoonlijk, belaagden duizend demonen mij. Na een poosje drong het tot mij door dat dit het resultaat was van mijn mediteren. Als ik maar bevrijd zou kunnen worden!

Ik nam contact op met de vrouw die mij het boekje had gegeven, want zij had haar telefoonnummer erin geschreven. Ik legde mijn probleem uit. Ze raadde mij aan om zo spoedig mogelijk naar haar te komen en dat er andere mensen aanwezig zouden zijn om met mij te bidden. We maakten een afspraak voor diezelfde week nog. De morgen dat ik op weg was naar die woning zal ik nooit meer vergeten. Ik ging op weg met mijn fiets, maar vreemde krachten trachtten mij over te halen mij voor een vrachtauto te gooien of een snel aankomende auto. Ik bad tot G*d om mij te helpen. Ik zei: "Als je er bent, help me nu dan!" Dat kalmeerde mij. Ik stapte voor de zekerheid toch maar van mijn fiets en ging verder te voet. Terwijl ik liep, bad ik dat ik maar snel bij dat huis zou zijn en dat ik het zou vinden. Tenslotte haalde ik het, maar ik kon me gewoonweg niet meer bewegen. Iets zei tegen mij dat ik me moest omdraaien en ervandoor gaan. Ik kon ook helemaal niet meer bidden. Op dat moment zag ik de vrouw die het boekje aan mij had gegeven. Ze kwam juist de deur uit. Ze zag mijn emotieloze gezicht. Ze liep me tegemoet, nam mij bij de arm en wilde me begeleiden naar binnen. Maar ze kon me niet trekken. Duizend spijkers hadden mij aan de grond genageld! Toen begon ze zachtjes te bidden en kwam ik stilletjes weer op gang. Ik begon echter hysterisch te huilen. Het was alsof alle pijn van een mensenleven eruit kwam. Eenmaal in de kamer, zag ik een stuk of zes mensen. De vrouw die mij had geholpen, liet mij in een fauteuil zakken. Ze begonnen allemaal hardop te bidden toen zij mijn woeste en vertrokken gezicht zagen en mij hoorden klagen dat ik allerlei monsters zag. Ik trachtte te praten om mijn zonden te belijden aan de Messias, maar een onzichtbare hand kneep mijn keel dicht. De kleine groep ging zachtjes door met bidden. Dit duurde ongeveer een uur. Het was een extreem pijnlijke sessie. De kamer draaide om mij heen alsof ik in een draaimolen zat. Maar na een uur werd ik echt kalm en schreeuwde het opeens uit: "Christus is overwinnaar!' Ik viel op mijn knieën en belijdde Christus mijn zonden en mijn zondigheid ter plekke. Ik wist dat ik bevrijd was! Alle aanwezigen omhelsden mij en dankten G*d.

's-Middags ging ik naar huis. Mijn moeder, die mijn stralende gezicht zag, vroeg mij met een verbaasd gezicht wat er gebeurd was. Ik antwoordde, 'Ik ben vrij!' En inderdaad na het langzaam afbouwen van de medicijnen tot nul, verklaarde de psychiater mij na enkele jaren gezond. Want de aanvallen kwamen nooit meer terug. Natuurlijk bleef ik mijn vrienden, de Joden voor Jezus, bezoeken. Zij onderwezen mij grondig en ik begon het verschil te zien tussen Christenheid en Christendom, tussen Christus en Zijn boodschap en wat die zogenaamde christenen ervan hadden gebakken. Dit alles gebeurde in het geheim, want ik wist dat als mijn familie erachter zou komen, ik een helse liturgie van argumenten en bedreigingen zou moeten ondergaan. En uiteindelijk zou ik totaal onterfd en verloochend worden. Maar toen het moment kwam dat ik voor de dag moest komen met mijn nieuw gevonden geloof, gaf G*d mij de wijsheid om alle tegenwerpingen van mijn familie te weerleggen. Aan het einde van enkele weken waarschuwde mijn vader mij dat ik het niet moest wagen me te laten dopen, of anders-- Maar dat was precies wat ik van plan was. Ik zei gewoon tegen hem nog eens Jesaja 53 te lezen en begon te zingen 'Ghaal eenai veabbieta nieflaoot mietoratecha (Open mijn ogen en ik zal wonderen uit Uw Wet zien)' [Ps.119.18]. Op het moment dat ik mezelf liet dopen, werd ik uit de familie verbannen. Zelfs mijn verwanten wilden niets meer met mij te maken hebben. Mijn familie hield een begrafenis (dit is wat orthodoxe Joden doen wanneer iemand van hen christen wordt!). Ik bestond gewoonweg niet meer voor hen. Maar mijn christen vrienden vingen mij op. Niet lang daar na vond ik weer werk en kon mijzelf onderhouden. 'HALLELUJAH!'




Volgend


Kort Verhaal / 1 / 2 / 3 / 4 / 5 / 6 / 8


Wat vindt u van deze website?
Naam:
Emailadres:
URL:
Anoniem:
A. Zeer goed.
B. Vrij goed.
C. Gaat wel.
D. Vrij slecht.
E. Zeer slecht.
Toelichting: