Job is het bijbelse voorbeeld
van menselijk lijden van kwaad en pijn. Het is geen schrale troost dat wat het
auteurschap betreft het boek Job waarschijnlijk het eerste boek van de bijbel is.
Zijn lot kan ons troosten steeds wanneer het snode monster van het nihilisme ons
aanvalt en wanneer de venijnige filosofie van het betekenisloze zijn giftanden
in onze halsslagader probeert vast te bijten. Maar iemand zou kunnen zeggen, 'Mijn geval
is erger dan dat van Job.' Zeker, mijn vriend! Talloze mannen en vrouwen
zijn beproefd boven de grens van Job. En sommigen van hen waren misschien
niet minder rechtvaardig. Maar wij moeten leren om het louter vreugde te
beschouwen wanneer onze ziel met haar kwetsbare gevoelens wordt geheiligd in
Gods smeltkroes (Jak. 1:2). De goddelijke Kunstenaar maakt u tot het fijnste goud van
Ofir. Maar je moet Hem dat wel toestaan. Laat het schrijnende kwaad
niet tussen jou en God komen. Roep uit om genade en laat Christus tussen
jou en de duivel staan. Vecht en bied weerstand aan de oude draak tot het
einde!
Evenals wij deel hebben aan het lijden van Christus, zullen
wij eens delen in Zijn heerlijkheid (1 Pet.4:13). En geldt het niet voor ons
allemaal wat voor Paulus gold, dat wij allemaal moeten aanvullen wat ontbreekt
aan het lijden van Christus (Kol. 1:24)!? Ik haast me om te zeggen dat Paulus
het hier niet over het kruislijden heeft, maar over het lijden van Christus
in Zijn wandel op aarde.
Christus Zelf leed oneindig veel voor ons. We zouden het een
eer moeten vinden wanneer we Zijn voorbeeld op een mindere manier kunnen
volgen. 'Nee, Hij leed niet meer!' zegt misschien een eenzame dwaas. 'Er zijn
ergere martelingen dan het kruislijden.' Nee, mijn arme twijfelaar!
Toen Christus die ene zin riep die tot in alle eeuwigheid zal weerklinken
zowel als de oneindige pijn als de oneindige genade--Eli, Eli, lama
sabachtani!; toen onderging Hij het oordeel dat voldoet om de gehele
wereld te redden.
'Maar', stamelt wellicht een grotere twijfelaar, eentje die
lijdt aan religieus Pyrrhonisme, 'Christus' uitroep verried nihilisme!'
Nee, scepticus! Waarom zou het niet een uitroepteken kunnen zijn die achter
die zin behoort te staan, in plaats van een vraagteken!? Of, als het echt als
een vraag bedoeld is, waarom zou het geen rhetorische vraag kunnen zijn om de
wille van de omstanders? 'Dat is onwaarschijnlijk', zult u zeggen, 'gezien de
omstandigheden'. Ik ben het met u eens. Het was daarom de schreeuw van
Zijn menselijke natuur. Want als God de Zoon werd Hij niet door de hemelse
Vader verlaten. ". . . want de Vader is met Mij (Joh. 16:32)."
Die schreeuw somt AL het aardse lijden op van de mensheid.
In de hof van Gethsémané kwam de schrik van dit moment al over Hem heen.
Maar Hij zette Zijn aangezicht als een keisteen (Jes.50:7), terwijl Hij
zag op de eeuwige vreugde daarachter (Hebr. 12:2). Die schreeuw zal ons tot
in alle eeuwigheid bezighouden, om ze te proberen te begrijpen, om Hem ervoor
te aanbidden en te bewonderen met totale overgave van onze harten en zielen.
Die schreeuw is het middelpunt van twee eeuwigheden die vooruit en terugzien.
Die schreeuw is de mysterieuze 'implosie' van alle eeuwige energie.
Die schreeuw beantwoordt voldoende het grote WAAROM van alle pijn, twijfel,
en vloeken van de menselijke natuur. Die schreeuw balsemt alle zweet, bloed
en tranen die wij vaten van klei uitstorten. Die schreeuw was geen nihilisme.
Het was 'gewoon' een vraag die verder ging dan alleen maar reddingswerk voor
de mensenkinderen (zoals verricht door Hem als een mens) en daarom
verliet God Hem, zoals Hij Zelf ook wel terdege wist.
In die vraag zit ook het grote waarom van de theologische
kwestie van menselijke verantwoordlijkheid en Gods verkiezende genade.
Evenals dat waarom een mysterie is, zo is ook het menselijk lijden een
mysterie. Het is niet voldoende om te zeggen dat kwaad slechts een gevolg is van de
zondeval. Want dan kan men de vraag stellen waarom de mens eigenlijk viel.
Voor gelovigen is het duidelijk dat satan ons lijden en overlijden wilde,
want hij is de leugenaar en moordenaar vanaf het begin. En God wist
dat, zelfs voor Hij de hoogste engel maakte die zou rebelleren en vallen.
Hier betreden wij een gebied van de theologie die vragen oproept waar we de
antwoorden zullen moeten schuldig blijven tot in de eeuwigheid. Het heeft
gewoonweg geen nut om hier verder proberen te schouwen.
Augustinus zei 'Felix lapsa' (gelukkige val), want daardoor scheen de glorie
van Christus deste meer; niet alleen als Schepper, maar vooral als Redder.
Maar God heeft het niet allemaal zo bepaald als zou de mens MOETEN falen.
Want dan zou Hij de auteur van de zonde zijn en dat is Satan (Joh. 8:44).
We moeten niet trachten een theologie te bedenken
die deze vragen adequaat beantwoordt. Want we zouden de kwestie alleen maar
geweld aan doen. Of, net als de (hyper)calvinisten, zouden we de mens terugbrengen
tot een robot voorbestemd om brandhout voor de hel te zijn en we zouden
impliceren dat God met dobbelstenen gooit. Of, als Pelagius, de humanisten en
remonstranten zouden we de mens opblazen tot een soort godheid en concluderen
dat God machteloos is om onze liefde op te wekken. Beiden hebben het bij het
verkeerde eind. Een theologie die vragen als, 'Kan een mens Gods genade afwijzen?,' of
'Kan een mens zichzelf redden, of niet?' probeert te beantwoorden, is gedoemd vruchteloos te zijn.
De bijbel roept ons simpelweg op om ons te bekeren. In Handelingen 3:19
wordt de aoristus gebezigd, die vertaald zou kunnen worden door 'Bekeert u NU!'
Noch heeft het nut om te pogen het hele probleem weg te
redeneren als door een gocheltruc, door te beweren dat de uitverkiezing niets van
doen heeft met redding, maar met het aanwijzen van de individuele personen
van de Kerk. Alsof God geen rekening hield met de zondeval toen Hij een Bruid
verkoos voor Zijn Zoon!
Hier zullen wij nooit volledig antwoord op zulke vragen
krijgen. God vraagt geloof van ons, gewoon en zuiver. Ook moeten wij de beide
aspecten van (verantwoordelijkheid en uitverkiezing) als de twee sporen van een
trein blijven vasthouden. In de mathematica ontmoeten twee parallelle lijnen
elkaar in het oneindige. Zo is het alleen God Zelf die beide aspecten
volmaakt in evenwicht houdt. Wij hebben de neiging om naar deze of gene
zijde over te hellen. Een redelijk geloof blijft gevestigd op Hem, ondanks
het lijden. Hij garandeert ons dat alle dingen meewerken ten goede voor hen
die God liefhebben (Rom. 8). Het geloof gaat verder dan de rede. Alles
wat er werkelijk toe doet is dat Christus Zelf naar beneden kwam om ons te
redden en om Zich met ons te identificeren--in die volgorde. Hebreeën 2:17
zegt, 'Waarom het Hem ook betaamde (of gewoon 'Hij moest') om in alle dingen
gelijk aan de broeders gemaakt te worden. . .' Ik weet dat deze tekst,
evenals Hebreeën 5:8,9 de volgorde andersom heeft. Maar dat is de chronologische
volgorde, niet de theologische die hier speelt. We moeten niet, vanwege de buitengewone
intensiteit van het menselijke lijden het probleem van het kwaad boven
het reddingswerk (zoals verricht door Hem als God de Zoon) laten uitgaan.
Want dat zou een of andere vorm van gnostisch mysticisme zijn. Het geloof heeft
ook de rede nodig en moet niet de zaken op een emotionele wijze overdrijven.
Het belangrijkste voor ons is dat Christus Zelf het meest leed,
'zodat een ieder die in Hem gelooft, behouden blijve en niet verloren ga (Joh. 3:16).'
Laat dat genoeg zijn om ons te troosten in dit ondermaanse tranendal. We moeten
reageren als kinderen die nog te corrigeren zijn en die positief beantwoorden
aan de tucht die op een liefdevolle manier aan hen uitgeoefend wordt.
Oh Christus, wij aanbidden U!
Onze harten worden getrokken.
Onze zielen getroost.
Oh Christus,
wij danken U!
Oh Here, wij aanbidden.
Ons verstand wordt gevuld.
Onze twijfels smelten weg.
Oh Here, wij huldigen U!
Oh God, wij zoeken U.
Onze kracht is gebroken.
Ons vlees gekruisigd.
Oh God, wij wachten op U!
HALLELUJA! GLORIA IN EXCELSIS DEO!