In dit onderdeel willen wij u informatie geven over de achtergrond waartegen zich de
gebeurtenissen van het Nieuwe Testament afspeelden. Allerlei onderwerpen komen aan de orde
zoals bestuur, religie, filosofie, huizenbouw, transport, beroepen en voedsel. Wij beginnen met het
onderwerp bestuur. Vanaf de derde eeuw voor Christus begon vanuit Rome de verovering van de
mediterrane wereld. Hele stukken van het huidige Europa, Noord-Afrika en Azië werden bij het
Romeinse rijk ingelijfd. Een veroverd gebied werd meestal tot provincie gemaakt. Een stadhouder
had de algemene leiding in zo'n provincie. Hij regelde via tussenpersonen allerlei publieke
aangelegenheden, waaronder de belastinginning. De belastingen uit de provincies gaven de
Romeinen de mogelijkheden kolossale bouwprojecten en dure veldtochten te financieren. Vaak
werden provinciebewoners verplicht de Romeinse goden te vereren en zich te houden aan Romeinse
wetgeving. Later, toen de eerste keizers hun intrede deden, kregen de provinciebewoners ook te
maken met de verplichte keizercultus. Deze cultus hield het vereren van de keizer als godheid in.
De meeste mensen hadden daar echter geen moeite mee, daar bijna alle godsdiensten uit die tijd
polytheistisch waren. Een godheid meer of minder maakte hun weinig uit. Zij hadden meer weerzin
tegen de hoge belastingen en de willekeur van de overheidsdienaren in Romeinse dienst. Wat
gebeurt er echter wanneer een volk dat maar één God vereert te maken krijgt met vreemde
overheersing, andere zeden en ... een keizer die als god vereerd wil worden? Daarover gaat het in
de volgende les.
terug naar Overzicht
2.6 De achtergrond van het Nieuwe Testament: De Joden
In het jaar 63 voor Christus veroverde de Romeinse veldheer Pompeius het Joodse land. Hij
lijfde het in bij de provincie Syria. In 40 voor Christus kreeg het land beperkte zelfstandigheid:
Herodes de Grote werd tot koning onder Romeins gezag aangesteld. Hij bleef dit tot zijn dood in 4
voor Christus. Daarop werd het land onder zijn zonen verdeeld. In 6 na Christus echter kwam het
zuiden (Samaria, Judea en Idumea) onder direct Romeins bestuur. Het noorden bleef (betrekkelijk)
zelfstandig onder Herodes Antipas.
Een Joods land onder vreemd bestuur, welke gevolgen had dit? Het Joodse land bleef in de
ogen van de buitenwereld een zelfstandige staat. De bestuurders hadden grote eigen bevoegdheden.
Maar het belangrijkste was dat de Joden hun eigen godsdienst konden behouden. Zij werden niet
gedwongen deel te nemen aan andere religieuze plechtigheden, Jeruzalem moest vrij blijven van
andere godsdiensten en de Joden hoefden niet mee te doen aan de keizercultus. Hun monotheisme
werd dus gerespecteerd. Althans, dat was een tijd zo. Pas onder keizer Caligula (37- 41 na Christus)
ontstonden er problemen. Deze megalomane keizer wilde zijn standbeeld laten oprichten in de
tempel in Jeruzalem. De toenmalige stadhouder Petronius wist echter de uitvoering van het
keizerlijk bevel tegen te houden. Na de dood van Caligula maakte zijn opvolger Claudius de
opdracht ongedaan. Onder zijn regering beleefde het Joodse land nog een periode van grote
zelfstandigheid. Maar tegen het jaar 66 namen de spanningen toe. In het jaar 66 brak oorlog tegen
Rome uit die duurde tot het jaar 73. In 70 werd Jeruzalem ingenomen en de tempel verwoest. In 73
werd het laatste verzet, gecon-centreerd rond Massada, gebroken. Daarna werd het Joodse land een
normale provincie. Er waren bijna geen mogelijkheden meer om de eigen identiteit gestalte te geven.
terug naar Overzicht
3.8 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Chronologie van de Keizers
Wij willen na het historisch overzicht ingaan op de diverse overheidspersonen die in het
Nieuwe Testament een rol spelen. Eerst kijken wij naar de keizers.
De Romeinse staat was aanvankelijk een republiek. In de roerige eerste eeuw voor Christus
kwam er steeds meer ruimte voor de opkomst van evevn leider. De eerste die zich keizer wilde laten
maken was de veldheer Julius Caesar. Hij werd echter vermoord. Na zijn dood streden twee mannen
om zijn opvolger te worden: zijn geadopteerde zoon Octavianus en de veldheer Marcus Antonius.
Octavianus behaalde de overwinning in de beslissende zeeslag bij Actium (31 voor Christus) en
werd de eerste keizer. Hij is beter bekend onder zijn eretitel Augustus ('de verhevene', toegekend
door de senaat in 27 voor Christus). Augustus wordt in het Nieuwe Testament een keer genoemd,
namelijk in Luc. 2: 1.
Zijn opvolger heette Tiberius (14- 37). Ook hij wordt maar een keer genoemd: Luc. 3: 1.
Tiberius' opvolger, de beruchte keizer Caligula (37- 41), kwam in de vorige les even ter sprake. Zijn
naam komt in het Nieuwe Testament niet voor.
Na Caligula's dood in 41 na Christus kwam Claudius (41- 54) aan de macht. Hij was een
goed bestuurder. In het Nieuwe Testament wordt hij tweemaal genoemd: Hand. 11: 28 (in verband
met de hongersnood die tijdens zijn regering plaatsvond) en Hand. 18: 2 (de Joden worden uit Rome
verdreven).
Keizer Nero (54- 68) wordt in het Nieuwe Testament niet genoemd. Onder zijn bewind vond
de grote christenvervolging (in 64) plaats, waarbij christenen voor de wilde dieren werden gegooid
of levend verbrand. Nero had de bevolking van Rome tegen de christenen opgezet door het gerucht
te verspreiden dat zij de brand hadden veroorzaakt die een derde deel van Rome in de as legde.
De keizers Vespasianus (69- 79) en Titus (79- 81) worden eveneens niet genoemd in het
Nieuwe Testament. Toch hebben zij een grote rol gespeeld in de geschiedenis van het Joodse volk,
daar tijdens hun regering de verwoesting van de tempel plaatsvond.
terug naar Overzicht
4.6 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Stadhouders
Wij willen nu aandacht besteden aan de stadhouders die in het Nieuwe Testament een rol
spelen.
Quirinius, stadhouder van de provincie Syria, wordt evevn keer genoemd in het Nieuwe
Testament: Luc. 2: 2. Pontius Pilatus was stadhouder van Judea, van 26 tot 36 na Christus. Hij
wordt vijfenvijftig keer genoemd in verband met de veroordeling van Christus. Antonius Felix was
van 51 tot 58 stadhouder van Judea. Hij wordt genoemd in Hand. 23 en 24. Deze Felix was
getrouwd met een Joodse vrouw, Drusilla (Hand. 24: 24).
De opvolger van Felix was Festus. Hij wordt genoemd in Hand. 24 en 25. Felix had Paulus
gevangen gelaten bij het einde van zijn ambtsperiode en dus moest Paulus voor Festus verschijnen.
Hij beriep zich bij die gelegenheid op de keizer (Hand. 25: 11). Iemand die dat deed, had het recht
naar Rome te reizen, waar zijn zaak aan de keizer werd voorgelegd.
Over deze stadhouders is verder heel weinig bekend. Daarom willen wij nog even kort iets
zeggen over een andere persoon die u aantreft in Hand. 25 (en 26): koning Agrippa. Dit is Agrippa
II, de zoon van Herodes Agrippa (Hand. 12: 1- 23). Herodes Agrippa had in 41- 44 een groot deel
van het Joodse land onder zijn bestuur (Judea, Galilea, Samaria, Iturea en Trachonitis). Zijn zoon
Agrippa II raakte al snel Judea, Samaria en het westelijke deel van Galilea kwijt. Deze delen
kwamen onder direct Romeins gezag. Agrippa II bleef wel koning over de delen Iturea en
Trachonitis.
terug naar Overzicht
5.9 De achtergrond van het Nieuwe Testament: De Romeinse Overheersing I
In deze les en de volgende willen wij aandacht besteden aan de invloed van de Romeinse
overheersing op het dagelijkse leven. In de volgende les kijken wij daarom naar het leger in het
Joodse land en nu willen wij ons richten op de belastinginning.
De belastingen uit de provincies waren van groot belang voor de inkomsten van de Romeinse
overheid. Zoals al even ter sprake kwam, betaalde men met belastinggeld grote bouwprojecten en
veldtochten. De belastingen kan men onderverdelen in twee groepen: directe en indirecte
belastingen. De directe belastingen waren de tributum soli (belasting op grond) en de tributum
capitis (letterlijk: belasting op het hoofd). De inning van deze belastingen werd overgelaten aan de
plaatselijke overheden in de provincies. Dezen konden de inning weer uitbesteden aan
ondergeschikten, maar zij blijven zelf verantwoordelijk voor het afdragen van het geld aan Rome.
De indirecte belastingen waren tolgelden. De inning hiervan werd verpacht aan zogenaamde
publicani, vaak gewone provinciebewoners die zelf de verantwoordelijkheid hadden voor het
afdragen van het geld aan Rome. De publicani mochten alles wat zij inden boven het gevraagde
bedrag zelf houden. Het is dan ook niet zo vreemd dat deze publicani niet erg geliefd waren en
werden gezien als landverraders.
Ook in het Joodse land moest men deze belastingen betalen (zie bijvoorbeeld Matth. 22: 15-
22). De publicani zijn ons bekend onder de naam 'tollenaren' (Grieks voor tollenaar: telwnh"). Zij
hadden hun tolhuizen langs doorgaande wegen. Zo'n tolhuis wordt in het Nieuwe Testament ook
genoemd (Matth. 9: 9; Luc. 5: 27). Uit de geschiedenis van Zacheus (Luc. 19: 1- 10) blijkt de
praktijk van het afpersen (Luc. 19: 8). De gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar tot slot (Luc.
18: 9- 14) geeft blijk van de verachting voor tollenaars.
terug naar Overzicht
6.8 De achtergrond van het Nieuwe Testament: De Romeinse Overheersing II
In een provincie was gewoonlijk ook een Romeinse troepenmacht gelegerd. Zo'n macht
legerde zich voornamelijk in steden die onder direct Romeins bestuur stonden of waar een Romeins
bestuurder zijn residentie had. Een Romeinse legermacht bestond uit legioenen. Een legioen bestond
uit tien afdelingen van 600 man. Over elke groep van honderd man had een centurio ('hoofdman
over honderd') de leiding. Het Griekse woord voor centurio is o& katonarco" / o&katonarch" (ook
letterlijk 'leider over honderd'). Slechts drie keer in het Nieuwe Testament wordt het woord
kenturiwn (Marc. 15: 39, 44, 45) gebruikt. Eigenlijk is dit woord eenvoudig het Latijnse centurio
geschreven in Griekse letters. Deze centurio's worden regelmatig in het Nieuwe Testament genoemd
(bijvoorbeeld de hoofdman bij het kruis: Matth. 27: 54, Marc. 15: 39, 44, 45, Luc. 23: 47; genezing
van een dienstknecht: Matth. 8: 5- 13, Luc. 7: 1- 10; Cornelius: Hand. 10: 1- 48; ingrijpen tijdens
Paulus' verblijf in Jeruzalem: Hand. 21: 32; 22: 25, 26; 23: 17, 23). Uit deze tekstplaatsen kunnen
wij opmaken dat zich in elk geval een Romeinse legermacht bevond in Jeruzalem, in Caesarea
(Kaisareia- Kaisar = keizer!) en in Kapernaum. Behalve van centurio's wordt ook melding
gemaakt van soldaten. Het Griekse woord voor soldaat is stratiwth". Wij treffen ze bijvoorbeeld
aan rondom de stadhouder Pilatus (Matth. 27: 27, Marc. 15: 16), als wacht bij het graf van Christus
(Matth. 28: 12) en in het boek Handelingen (bijvoorbeeld Hand. 23: 23).
terug naar Overzicht
7.9 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Herhaling
Aangezien deze les een herhalingsles is, willen wij de gegevens uit de voorgaande lessen op
een rijtje zetten. Dit vormt tevens de afsluiting van het onderwerp bestuur.
Het Joodse land was in de tijd van het Nieuwe Testament een Romeinse provincie, onderdeel
van het uitgestrekte Romeinse rijk. Aan het hoofd van dit rijk stond de keizer (Kaisar). Keizers
in de tijd van het Nieuwe Testament waren:
Augustus (27 voor Christus- 14 na Christus)
Tiberius (14- 37)
Caligula (37- 41)
Claudius (41- 54)
Nero (54- 68)
Vespasianus (69- 79)
Titus (79- 81)
Aan het hoofd van een provincie stond een stadhouder (h&gemwn). Belangrijke stadhouders waren:
Quirinius, Pontius Pilatus, Felix en Festus.
De stadhouder liet veel over aan ondergeschikten, onder andere de belastinginning. De
tollenaars (telwnai) hielden zich bezig met de inning van tolgelden. Aangezien zij geld verdienden
aan de Romeinse bezetting, was hun positie omstreden.
Vooral in belangrijke steden waren troepen gelegerd. Een legioen soldaten (stratiwtai) bestond
uit tien keer zeshonderd man. Over elke honderd man was een centurio
(o& katonarco" , kenturiwn) aangesteld.
terug naar Overzicht
8.9 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Religie binnen het Jodendom I
In de lessen 8- 13 willen wij stilstaan bij religie en filosofie in de wereld van het Nieuwe
Testament. Wij bekijken in les 8- 10 religieuze stromingen binnen het Jodendom, in les 11 de
Griekse godsdienst, in les 12 de Romeinse godsdienst en in les 13 de filosofie.
In deze les willen wij beginnen met een bespreking van de facetten van de Joodse godsdienst
die in het Nieuwe Testament aandacht krijgen. In de vorige lessen over bestuur bleek dat de
Romeinen lange tijd over het Joodse land hebben geheerst. Onder hun bestuur was er echter wel
degelijk zekere invloed voor Joodse leiders. Een belangrijk bestuurlijk orgaan was het sanhedrin (toV
sunevdrion). Deze raad bestond uit zeventig leden. De hogepriester (o& a*rciereuv") had de leiding.
Hij vertegenwoordigde het volk tegenover de Romeinse leider ter plekke en had het toezicht op
religieuze plechtigheden e.d. in Jeruzalem. Bekende hogepriesters uit het Nieuwe Testament zijn
Hannas ( @Anna": Luc. 3: 2, Hand. 4: 6), Kaiaphas (Kaiavfa": Matth. 26: 57, Joh. 18: 13) en
Ananias ( Ananiva": Hand. 23: 2, 24: 1).
De raad bestond voornamelijk uit leden van invloedrijke priestergeslachten. Deze raad wordt
in het Nieuwe Testament veelvuldig genoemd. Wij geven u slechts een paar plaatsen: Matth. 5: 22
(de raad als gerechtshof), Matth. 26: 59, Luc. 22: 66 (Jezus voor de raad), Hand. 4: 15 (Petrus en
Johannes voor de raad), Hand. 5: 21(overleg in de raad), Hand. 5: 27, 34, 41 (de apostelen voor de
raad).
Het woord sunevdrion komt in het Nieuwe Testament twee keer voor in het meervoud
(sunevdria: Matth. 10: 17 en Marc. 13: 9). Op die plaatsen wordt het meervoud meestal vertaald
met 'raadsvergaderingen'.
terug naar Overzicht
9.8 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Religie binnen het Jodendom II
In deze les besteden wij aandacht aan de Farizeeën (Farisai'oi, lett. afgescheidenen). Zij
vormden een min of meer gesloten groep, die zich voornamelijk bekommerde om de ontwikkeling
van het Joodse denken. Hierbij namen zij ook mondeling overgeleverde tradities over. De Farizeeën
hielden zich aan alle wetten uit het Oude Testament en probeerden zich zo ook te onderscheiden van
het gewone volk. In het Nieuwe Testament wordt vaak melding gemaakt van Farizeeën. Zij letten
nauwgezet op het doen en laten van Jezus en de discipelen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit hun
opmerkingen over het eten met ongewassen handen (Matth. 15: 1, 2, Marc. 7: 1- 5, ), het schenden
van de sabbatsrust (Matth. 12: 1, 2, Marc. 3: 1, 2, Luc. 14: 1) en het omgaan met tollenaren en
zondaren (Luc. 5: 30, Luc. 15: 1- 3). Het negatieve beeld van de Farizeeër dat bij veel mensen leeft,
komt met name uit de geschiedenis in Luc. 18: 9- 14: 'de Farizeeër en de tollenaar'. De gedachte van
de Farizeeër dat zijn goede gedrag hem ver verheft boven lieden als de tollenaar wordt in dit gedeelte
veroordeeld. Immers, de tollenaar gaat gerechtvaardigd naar huis en de Farizeeër niet. Toch is het
belangrijk in het oog te houden dat het streven van de Farizeeën om de Joodse levenswijze uit het
Oude Testament vast te houden; erop was gericht het Joodse volk te bewaren als een uitverkoren,
een apart gezet volk. Met name in de diaspora is gebleken hoezeer het bewaren van de Joodse
traditie heeft bijgedragen aan het voortbestaan van het Joodse volk, ondanks de talrijke
vervolgingen. De veroordeling van de Farizeeën is dan ook meestal niet gericht tegen hun gedrag
op zich als wel tegen de huichelarij die vaak met dat gedrag gepaard ging. Het zich houden aan veel
geboden was een houding geworden die niets meer te maken had met een verlangen God oprecht te
dienen.
terug naar Overzicht
10.9 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Religie binnen het Jodendom III
In het Nieuwe Testament worden naast de Farizeeën ook de Sadduceeën (Saddoukai'oi)
genoemd. Zij accepteerden alleen de wetten als normgevend en verwierpen de mondelinge
overlevering. Zij zijn het meest bekend om hun afwijzing van het geloof in opstanding uit de doden
(Matth. 22: 23: 'de Sadduceeen die zeggen dat er geen opstanding is'). Hierover verschilden zij van
mening met de Farizeeën (Hand. 23: 8). Vaak worden echter beide groepen naast elkaar genoemd
en even scherp veroordeeld (Matth. 16; 6, 11, 12).
Een andere groep die vaak wordt genoemd in het Nieuwe Testament is die van de
Schriftgeleerden (grammatei'"). Zoals hun naam al aangeeft, hadden zij grote kennis op het gebied
van de Schriften (zie bijvoorbeeld Matth. 2: 4). Zij onderwezen de Schriften aan leerlingen die zij
om zich heen verzamelden (Marc. 1: 22). Vaak worden zij naast de Farizeeën genoemd,
bijvoorbeeld in Matth. 23 (verzen 13, 15, 23, 25, 27, 29). Als wetgeleerden vervulden zij een
belangrijke rol bij het rechtspreken in de Joodse raad (Marc. 14: 53, Hand. 4: 5).
terug naar Overzicht
11.7 De achtergrond van het Nieuwe Testament: De Griekse Godsdienst
In deze les willen wij u kort iets vertellen over de Griekse godsdienst. De Grieken vereerden
meerdere goden en godinnen. De oppergod was Zeus (Zeuv", 2de nv. Diov", 4de nv. Diva). De goden
werden antropomorf voorgesteld, dat wil zeggen in menselijke gedaante. Men geloofde dat bepaalde
goden en godinnen gehuwd waren en kinderen hadden. Ook kenden de goden menselijke emoties.
Zo kon hun handelen bepaald worden door gevoelens van afgunst, haat of liefde. Onderling voerden
de goden soms oorlog. Ook kozen zij wel in menselijke oorlogen een bepaalde kant. De goden
konden in gevechten gewond raken, maar ze konden niet sterven aan hun wonden. Volgens de
mythologische verhalen hadden de goden soms ook verhoudingen met aardse vrouwen. De kinderen
die uit deze relaties voortkwamen, werden als halfgoden in het pantheon opgenomen. Een bekend
voorbeeld van zo'n halfgod is Herakles, zoon van Zeus en een sterflijke vrouw, Alkmene.
Het heiligdom van een bepaalde god bestond uit twee delen, een grote hof met aan de
godheid gewijde bomen of bronnen en het eigenlijke heiligdom. Dit was een gebouw met rijke
versieringen in de vorm van bewerkte zuilen en afbeeldingen van mythologische verhalen op de
gevel. In het gebouw stond een godenbeeld en vaak ook een altaar. De rituele handelingen bestonden
uit het brengen van offers en het plengen van wijn. Het plengen van wijn werd ook wel in huiselijke
kring gedaan. Men sprenkelde dan aan het begin van de maaltijd wat druppels wijn op de tafel onder
het spreken van een gebed tot de god. Gebeden bestonden meestal uit formules.
De Grieken geloofden in een leven na de dood. Ook geloofden zij in een oordeel over het
handelen op aarde en in beloning of straf in het hiernamaals. Maar door in de goden te geloven en
hen te dienen kon men nooit zeker zijn van een goed leven na de dood. Een oplossing hiervoor
brachten de mysteriegodsdiensten die uit het verre oosten in Griekenland werden geïntroduceerd.
Door ingewijd te worden in een mysteriecultus kon men een figuurlijke dood sterven en zo al bij
leven een eeuwige toekomst verwerven.
De Griekse godsdienst was ook buiten Griekenland verbreid, bijvoorbeeld in Griekse
kolonies. In het Nieuwe Testament wordt in Hand. 14 beschreven hoe Paulus en Barnabas te Lystra
worden aangezien voor de goden Zeus en Hermes. Er staat in vers 12 dat ze Barnabas Hermes
noemen omdat hij het woord voert. Hermes was namelijk de bode van de goden. Ook wordt in vers
13 melding gemaakt van de priester van Zeus.
In de stad Efeze was een uitgebreide cultus van Artemis ( !Artemi"), aangezien volgens een
mythe daar een beeld uit de hemel op aarde was gevallen. De zilversmeden in Efeze verdienden veel
geld aan de verkoop van zilveren tempeltjes aan reizigers (zie Hand. 19: 24- 28).
terug naar Overzicht
12.9 De achtergrond van het Nieuwe Testament: De Romeinse Godsdienst
De godsdienst van de Romeinen lijkt veel op die van de Grieken. Ook zij kenden meerdere
goden en godinnen. Voor elke god of godin is wel een Griekse equivalent aan te wijzen. Zo was de
oppergod van de Romeinen Jupiter (de Romeinse Zeus). De godenbode Hermes heette bij de
Romeinen Mercurius en de godin Artemis heette Diana. Elke god of godin had een bepaald terrein
onder zijn of haar hoede. Zo was Mercurius de beschermer van handelaars en reizigers. Hij werd
doorgaans afgebeeld met een staf in de hand en gevleugelde schoenen aan de voeten. De godin
Diana was de godin van de jacht. Zij werd afgebeeld met pijl en boog.
Wanneer een belangrijke veldtocht werd voorbereid, nam men de vlucht van vogels waar
om te bepalen of de voortekenen gunstig waren. Verder werden er offers gebracht, met name aan de
god van de oorlog--Mars. Na een succes in de oorlog ging men in triomftocht de tempels langs om
de goden te danken. Vaak kregen de goden van overwonnen volkeren ook een tempel in Rome. Het
idee was dat de goden aan het volk waren ontnomen en eigendom waren geworden van de
Romeinen.
Naast de goden vereerden de Romeinen ook abstracte begrippen als goden. Zo vereerden ze
de stad Rome als de godin Roma. Ook waren er altaren voor de deugden, zoals voor Justitia
(gerechtigheid). Zelfs bepaalde plaatsen (bijvoorbeeld bronnen in het bos) werden als heilig
beschouwd.
Elke Romein had wel een plekje in huis waar hij godenbeeldjes bewaarde. Deze
godenbeeldjes werden penates genoemd en golden als beschermers van het huis en de familie. Na
de introductie van de keizercultus gingen de Romeinen naast de penates ook het genius
(geleidegeest) van de keizer vereren in hun huizen. Vaak wierp men voor de maaltijd wat brood in
het vuur als voedsel voor de huisgoden of men sprenkelde wat wijn bij de beeldjes.
terug naar Overzicht
13.7 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Filosofie
Tot slot van de reeks over religie en filosofie willen wij u iets vertellen over de filosofie. De
ontwikkeling van de filosofie vond in fasen plaats. Aanvankelijk hielden filosofen zich alleen bezig
met de vraag naar het ontstaan van de wereld. Tevens deden zij onderzoek naar allerlei
verschijnselen in het heelal. Dit soort filosofie wordt natuurfilosofie genoemd. Men noemt als
grondlegger van deze filosofie Thales van Milete. Later gingen filosofen zich bezig houden met
vragen over meer abstracte zaken. Deze ontwikkeling begint pas echt bij Socrates (470- 399 v.
Chr.). Hij hield zich bezig met de vraag naar het wezen van de dingen (to Vo!n lett. het zijnde). Zijn
leerling Plato schreef vele boeken over de vragen van Socrates zoals 'wat is waarheid?', 'wat is
gerechtigheid?' en dergelijke. Plato streefde naar een ideale staat waarin de filosofen de leiding
hadden. Zij zouden als enige goede bestuurders kunnen zijn omdat hun studie in de filosofie hen had
geleerd de hogere dingen te zoeken. Een belangrijke filosofische stroming geworteld in het Romeinse
gedachtegoed is de filosofie van de Stoa. Deze filosofie stond een sobere levensstijl voor. Men moest
zich zo min mogelijk aan het aardse hechten. Volgens hem kwam namelijk het ongeluk van veel
mensen voort uit hun gehechtheid aan het aardse. Zo zou het verlies van een politieke loopbaan niet
zo erg zijn, wanneer men minder hechtte aan eer. Het hoogste doel voor een Stoïcijn was het
bereiken van een toestand waarin de ziel volkomen vrij is van elke invloed van buitenaf. De
Stoïcijnse filosofen worden genoemd in Hand. 17: 18. Daar gaat het ook over volgelingen van
Epicurus. Deze filosoof beweerde dat een mens zich gelukkig voelt wanneer hij meer positieve dan
negatieve gevoelens heeft. Een maatstaf voor menselijk handelen moet dan de vraag zijn of een
bepaalde handeling meer vreugde oplevert of meer verdriet. Die handelingen die op de lange duur
de meeste vreugde opleveren, zijn het beste. In tegenstelling tot wat vaak wordt gezegd, keurt
Epicurus niet alles goed wat aangenaam is. Wanneer iets aangenaams op de lange duur zeer
onaangename gevolgen heeft, moet men volgens Epicurus niet kiezen voor het korte genot.
terug naar Overzicht
14.17 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Samenvatting
Wij vatten kort de informatie uit de vorige lessen voor u samen.
De Joodse raad bestond uit 70 leden, onder leiding van de hogepriester. Deze vertegenwoordigde
het volk tegenover de Romeinse leider ter plekke en zag toe op religieuze plechtigheden in
Jeruzalem.
Belangrijke groepen binnen het Jodendom zijn:
a) Farizeeën (Farisai'oi). Zij vormden een afgezonderde groep. Naast de geschreven wetten
accepteerden zij ook een mondelinge traditie.
b) Sadduceee>n (Saddoukai'oi). Zij accepteerden alleen de geschreven wetten. Zij geloofden niet in
de opstanding uit de doden. Verder geloofden zij niet in engelen en geesten. De Farizeeën geloofden
hier wel in. Waar deze zaken ter sprake kwamen, brak snel twist tussen beide groepen uit (zie
bijvoorbeeld Hand. 23: 6).
c) Schriftgeleerden (grammatei'"). Zij bezaten grote kennis van het Oude Testament en de wetten.
Zij gaven hun kennis door aan leerlingen.
Alle drie groepen werden in het Nieuwe Testament regelmatig veroordeeld vanwege huichelarij.
De Griekse godsdienst werd evenals de Romeinse met name gekenmerkt door het
dienen van meerdere goden. De goden werden menselijk voorgesteld in uiterlijk en handelen. Het
dienen van de goden bestond met name uit rituele handelingen (het brengen van offers, het plengen
van wijn en het uitspreken van vaste gebeden).
Naast bovenstaande kenmerken die voor beide godsdiensten gelden kende de Romeinse godsdienst
het vereren van huisgoden en van het genius van de keizer.
Belangrijke filosofische stromingen zijn die van Plato, de Stoa en Epicurus.
Plato stelde de vraag naar het wezen van de dingen centraal.
De Stoa zochten het menselijke geluk in een volkomen loskomen van al het aardse.
Epicurus tot slot stelde dat men gelukkig kan worden door die handelingen te kiezen die op de lange
termijn meer vreugde dan verdriet opleveren.
terug naar Overzicht
15.12 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Het Hebreeuws I
In de komende lessen willen wij het met u hebben over taal en wel over drie talen. In het
evangelie naar Johannes wordt beschreven dat Pilatus een opschrift laat plaatsen boven het kruis van
Christus. Hierop staat 'Jezus de Nazoreeer, de koning der Joden'. Johannes vermeldt dat dit opschrift
gesteld is in drie talen: Hebreeuws, Latijn en Grieks. Hebreeuws was de taal van de Joden, Latijn
de taal van de Romeinen en Grieks de toenmalige wereldtaal. Het opschrift kon dus door elke
voorbijganger gelezen worden. Over deze drie talen willen wij het hebben. Eerst bekijken wij twee
lessen het Hebreeuws, taal van het Oude Testament en de invloed op het Grieks van het Nieuwe
Testament. Daarna besteden wij twee lessen aandacht aan het Latijn. Tot slot besteden wij twee
lessen aan het Grieks.
Het Hebreeuws was de taal van het Oude Testament. Wanneer een geschrift is gesteld in een
bepaalde taal, is het voor mensen die die taal niet beheersen niet toegankelijk. Daarom worden
geschriften ook vertaald. Het nadeel van een vertaling is dat bijna nooit de betekenis van woorden
en combinaties van woorden precies kunnen worden weergegeven. Dit is zeker het geval wanneer
een geschrift vertaald wordt in een taal die een andere grammaticale structuur heeft. Toen de
vertaling van het Oude Testament in het Grieks gemaakt werd (de Septuaginta) stuitten de vertalers
op dit probleem. Bepaalde zinsneden zijn zo eigen aan het Hebreeuws dat ze bijna niet zijn weer te
geven in het Grieks. En toch verlangden de vertalers ernaar de tekst zo nauwkeurig mogelijk over
te zetten. Gevolg was dat ze de Hebreeuwse zinsneden letterlijk vertaalden naar het Grieks.
Eigenlijk is dat altijd gebeurd wanneer het Oude Testament uit het Hebreeuws werd vertaald in een
andere taal: er kwamen semitismen in de vertaling terecht. Ook in Nederlandse vertalingen zijn ze
te vinden.
In het Nieuwe Testament wordt vaak gebruik gemaakt van citaten uit het Oude Testament.
Het ligt dan ook voor de hand dat de semitismen in de geciteerde passages ook in het Nieuwe
Testament verschijnen. Maar ook los van direct verband met het Oude Testament komen semitismen
in het Grieks van het Nieuwe Testament voor. In de volgende les willen wij twee voorbeelden van
semitismen laten zien.
terug naar Overzicht
16.10 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Het Hebreeuws II
Wij laten u twee voorbeelden zien van semitismen. Bij het eerste voorbeeld gaat het om
een semitisme in een citaat uit het Oude Testament.
|
kaiV oi& neanivskoi u&mw'n | En jullie jongemannen zullen | neanivsko" (mnl.)- |
|
o&ravsei" o!yontai kaiV | gezichten zien en jullie ouderen | jongeman,o&ravsei"- |
|
oi& presbuvteroi u&mw'n | zullen dromen dromen. | 4de nv. mv. v. |
|
e*nupnivoi" e*nupniasqhvsontai- | (Hand. 2: 17) | o@rasi", o!yontai- 3de
p.
mv. o.t.t.t. v.o&ravw, |
| |
presbuvtero" (mnl.)- oudere (man), e*nuvpnion (onz.)-
droom, e*nupniasqhvsontai- 3de
p. mv. o.t.t.t. v. e*nupniavzw- ik droom (dit
is een lijdende vorm, maar deze moet actief vertaald worden, dit komt nog aan de orde)
|
U ziet dat het twee keer gaat om een werkwoord en een zelfstandig naamwoord met dezelfde
basis (o&ravw, o!rasi", e*nuvpnion,e*nupniavzw). Het betreft hier een citaat uit Joël 2.
Dit verschijnsel dat een werkwoord en een zelfstandig naamwoord met dezelfde basis worden
gecombineerd is een typisch taaleigen van het Hebreeuws. Dit verschijnsel kende men wel in het
Grieks: het zelfstandig naamwoord werd dan een intern object genoemd. Maar het gebruik van
zo'n intern object kwam weinig voor. In het Nieuwe Testament neemt dit gebruik aanzienlijk
toe, hetgeen wordt toegeschreven aan de invloed van het Hebreeuws.
Wij geven nog een voorbeeld van een passage zonder relatie met het Oude Testament.
|
kaiV poimevne" h^san e*n | En er waren herders in | poimevne"- 1ste nv. |
|
th/' cwvra/ th'/ au*th/' | diezelfde streek, in het veld | mv. v. poimhvn, cwvra |
|
a*graulou'nte" kaiV | verkerend en de wakes | (vrl.)- gebied, streek, |
|
fulavssonte" fulakaV" | waarnemend 's nachts bij hun | a*graulevw- ik leef buiten, |
|
th'" nuktoV" e*piV thVn | kudde. (Luc. 2: 8) | fulavssw- ik waak, |
|
poivmnhn au*tw'n | | fulakhv (vrl.)- wake, th'" nuktov"- 's nachts (2de nv. v. tijd), poivmnh (vrl.)- kudde |
U ziet opnieuw een werkwoord en zelfstandig naamwoord van dezelfde basis (fulavssw,
fulakhv).
terug naar Overzicht
17.8 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Het Latijn I
Wij willen nu twee lessen besteden aan het Latijn. Het Latijn was de taal van de Romeinen
die, zoals u in vorige lessen hebt kunnen lezen, een groot deel van de toenmalige wereld onder hun
bewind hadden. Waar de Romeinen heersten, kwamen de mensen in aanraking met het Latijn.
Decreten en dergelijke werden vaak in twee talen opgesteld: in de taal van het bewuste gebied en
in het Latijn. Vaak ging de bovenlaag van de bevolking het Latijn leren. Zij konden zo als
vertegenwoordigers van het Romeinse gezag fungeren in hun gebied, aangezien zij met Rome
konden communiceren. In hele gebieden werd naast de taal ook de beschaving van de Romeinen
ingevoerd. Mensen leerden hun koopwaren niet te ruilen, maar te handelen met geld. Er werden
scholen naar Romeins model ingericht waar retorica en dergelijke werden onderwezen. Zo kon de
kerkvader Augustinus in Noord-Afrika een typisch Romeinse opleiding krijgen. Zijn kennis van
retorica blijkt uit zijn geschriften, die in het Latijn zijn geschreven. Daar veel kerkvaders evenals
Augustinus opgegroeid waren in een omgeving vol van Latijn, gingen zij schrijven in het Latijn. Het
Latijn werd zo geleidelijk de taal van de kerk.
Dit Latijn, ook wel kerklatijn genoemd, is een ander soort Latijn dan het Latijn dat men in
de eerste eeuw na Christus sprak en schreef. Een taal is immers steeds in ontwikkeling. Woorden
en uitdrukkingen raken in onbruik en verdwijnen, andere woorden komen ervoor in de plaats. Een
belangrijk aspect van de verandering van Latijn naar kerklatijn was de noodzaak een taal te
ontwikkelen voor de beschrijving van geestelijke zaken. Allerlei woorden zoals zonde, verlossing,
genade enzovoorts bestonden niet in de typische betekenis die ze in het christendom hebben. Daarom
ging men woorden die aanvankelijk een alledaagse betekenis hadden gebruiken in een geestelijke
context. Zo werd het woord dominus dat gewoon 'heer des huizes' betekende gebruikt voor God:
Heere.
terug naar Overzicht
18.8 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Het Latijn II
In de veertiende eeuw kwam er in Italië een stroming op gang, die als doel had het klassiek
Latijn weer te doen herleven. Deze stroming staat bekend als het humanisme. Niet alleen ging men
het Latijn leren om de werken van klassieke auteurs te kunnen lezen, maar men ging zelfs gedichten
en prozawerken schrijven in navolging van de bekende auteurs. Zo schreef men brieven naar het
voorbeeld van Cicero en gedichten in navolging van Ovidius en Horatius. De inhoud was vaak
eigentijds: een beschrijving van de stad Wenen of een loflied op het vaderland Italië. Ook werden
pagane vormen gebruikt om christelijke thema's te beschrijven. Zo verschenen er psalmparafrasen
in klassieke metra.
Vaak werd het Latijn gecultiveerd naast de eigen volkstaal. Soms ontstond de neiging het
Latijn te beschouwen als een hogere, beschaafdere taal dan de volkstalen. Pogingen om het Latijn
weer in grote delen van de toenmalige wereld te introduceren liepen echter op niets uit.
Eigenlijk werd er toentertijd helemaal geen Grieks meer gelezen. Waar Griekse auteurs als de
filosoof Aristoteles in het onderwijs werden gebruikt, werden zij via commentaren in het Latijn
bestudeerd. De humanisten hanteerden als motto 'ad fontes', dat is 'terug naar de bronnen'. Zij hadden
als ideaal de literatuur van de oudheid te kunnen bestuderen in de oorspronkelijke talen. Men liet
daarom Grieken naar Italië komen om het Grieks te onderwijzen. Het leren van Grieks bleek voor
velen aanvankelijk een hele opgave. Van een aantal humanisten zijn brieven bewaard waarin ze
schrijven over hun pogingen Grieks te leren. Bijna niemand ging zelf in het Grieks schrijven. Wel
werden er vertalingen en bewerkingen in het Latijn gemaakt van Griekse werken. Ook ging men
Griekse literaire vormen gebruiken om christelijke thema's te beschrijven. Zo verschenen er
tragedies naar klassiek voorbeeld met een bijbelse figuur als hoofdpersoon.
Met de belangstelling voor Griekse auteurs kwam er ook belangstelling voor het Nieuwe
Testament. De bekende humanist Erasmus verzorgde een uitgave van het Nieuwe Testament. Ook
schreef hij parafrasen van delen van het Nieuwe Testament in het Latijn.
Met de belangstelling voor Griekse auteurs kwam er ook belangstelling voor het Nieuwe
Testament. De bekende humanist Erasmus verzorgde een uitgave van het Nieuwe Testament. Ook
schreef hij parafrasen van delen van het Nieuwe Testament in het Latijn.
terug naar Overzicht
19.10 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Het Grieks I
In de vorige les las u al iets over de hernieuwde belangstelling voor het Grieks in de
vijftiende en zestiende eeuw. In deze les en de volgende willen wij u in vogelvlucht de ontwikkeling
van het Grieks beschrijven.
Wanneer men spreekt over het Grieks van de vijfde eeuw voor Christus, bedoelt men het
Attisch. Dit is een dialect van het Grieks. Naast Attisch zijn er nog drie dialecten: het Ionisch, het
Aeolisch en het Dorisch. Elk dialect werd gesproken in een bepaald deel van de Griekse wereld. Zo
was het Attisch bijvoorbeeld het dialect van Athene en omgeving en het Ionisch van eilanden in de
Egeïsche zee en van de kust van Klein-Azië. In elk dialect zijn wel literaire werken overgeleverd,
al is het meeste geschreven in het Attisch.
Rond 400 voor Christus begon zich het koine (koinov" betekent 'algemeen') te ontwikkelen,
een taal die het Attisch als basis had met enkele Ionische kenmerken. Na de verovering van een
groot deel van het Middellandse-Zeegebied door Alexander de Grote, werd het koine de taal van die
streken. De Septuaginta (Griekse vertaling van het Oude Testament) en het Nieuwe Testament zijn
in het koine geschreven.
Ondanks deze gemeenschappelijke taal met bepaalde kenmerken heeft elk bijbelboek in het
Nieuwe Testament een eigen soort Grieks. Het Grieks van bepaalde schrijvers vertoont bijvoorbeeld
meer afwijkingen van het Attisch dan dat van anderen.
Eigenlijk kan men zeggen dat het Grieks van het Nieuwe Testament een eigen taal is met
een eigen grammatica en woordkeus. In het Latijn van de kerkvaders kregen woorden nieuwe
betekenissen om te passen in de geestelijke context. Zo kregen Griekse woorden in het Nieuwe
Testament andere betekenissen. Het Griekse woord swthvr (redder) wordt gebruikt voor Christus
als de Redder van de wereld. Het komt in het Nieuwe Testament dan ook niet in het meervoud voor.
Het werkwoord swv/zw (ik red) wordt in de eerste plaats gebruikt in de context van het gered worden
door God, in het Nederlands weer te geven met 'behouden'. De algemene betekenis 'redden' wordt
hieraan ondergeschikt.
terug naar Overzicht
20.7 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Het Grieks II
De kerkvaders die in de eerste eeuwen na Christus schreven, gebruikten over het algemeen
weer een klassieker soort Grieks. Aangezien zij meestal afkomstig waren uit vooraanstaande
families hadden zij een opleiding gehad waarin de klassieken een belangrijke rol speelden. Zij
gebruikten klassieke genres (o.a. dat van de parafrase) voor bijbeluitleg. Bovendien benutten zij
bepaalde procedevs uit de literatuur, zoals het gebruik van uitgebreide vergelijkingen en
beschrijvingen. Het bleek dat er een christelijk vocabulaire is ontstaan: woorden die inmiddels al
een specifiek christelijke betekenis hadden gekregen, bleven in die betekenis gebruikt worden.
In de loop van de zesde eeuw ontstaat een nieuw soort Grieks, het byzantijns Grieks. De
afwijkingen van het klassiek Grieks worden nu groter. In de eeuwen die volgen ondergaat het Grieks
grote veranderingen. De uitspraak van bepaalde letters wijzigt drastisch. Zo wordt een b
uitgesproken als een v/w-klank. Ook gaan een aantal klinkers (o.a. h) neigen naar i-klank
(zogenaamd iotacisme). Aan het eind van deze ontwikkeling staat het Grieks dat tegenwoordig in
Griekenland wordt gesproken: demotike genoemd ('volkstaal'). Los van de demotike staat de
geschreven taal (katareousa: 'gezuiverde taal'). Deze geschreven taal bewaart een soort Grieks dat
dichter staat bij het klassiek Grieks. De katareousa wordt gebruikt voor officiële documenten,
onderwijs, kranten en literatuur. De laatste jaren echter verschijnen er ook kranten en boeken in het
demotike.
terug naar Overzicht
21.17 De achtergrond van het Nieuwe Testament: Algemeen
Voor bestudering van het Nieuwe Testament is het belangrijk te weten dat het Grieks van
het Nieuwe Testament koine-Grieks is, een algemene voertaal in het Middellandse--Zeegebied na
de veroveringen van Alexander de Grote. Het koine bestaat voornamelijk uit Attisch met enkele
Ionische kenmerken. Voor de individuele bijbelboeken geldt dat sommige meer afwijkingen
vertonen van het Attisch dan andere.
Het voornaamste kenmerk van het Nieuwe Testament als geheel is de aanzet tot een
christelijk vocabulaire. Bepaalde woorden krijgen een specifiek christelijke betekenis, die ze nog
eeuwen daarna behouden. Een ander opvallend aspect van de taal is het grote aantal semitismen:
constructies die ontleend zijn aan het Hebreeuws en via de vertaling van het Oude Testament in het
Grieks terecht zijn gekomen.
Na de opkomst van het christendom hebben veel kerkvaders in het Grieks en Latijn
geschreven. Na een periode waarin deze talen minder in de belangstelling stonden, leefde de
belangstelling voor en de studie van deze talen weer op vanaf de veertiende eeuw. Literaire werken
werden vertaald en klassieke genres nagevolgd. Ook het Nieuwe Testament kreeg weer aandacht.
Uitgaven van de tekst, vertalingen en commentaren hebben sindsdien de studie van het Nieuwe
Testament bevorderd.
terug naar Overzicht
22.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Bijbelvertalingen
In deze reeks mag een stukje over vertalingen niet ontbreken. De ons oudst bekende vertalingen
van het Nieuwe Testament (die ook het O.T. bevatten), zijn de Pesjitta van bisschop Rabbula van
Edessa (begin vijfde eeuw) en de vertaling van Hieronymus (gereed in 405 n. Chr.). Waarschijnlijk
gebruikte hij manuscripten van oud-Syrische vertalingen die toen al bestonden. Dit deed
Hieronymus ook, maar dan voor het Latijn. Dit op verzoek van bisschop Damasus van Rome. Zijn
vertaling heet de Vulgaat, want ze was voor het gewone volk bestemd.
Wulfila (ook wel Ulfilas, de "apostel van de Gothen" genaamd) vertaalde de bijbel al in de vierde
eeuw voor de barbaarse Germanen. Echter tot in de late Middeleeuwen bleef de kerktaal het Latijn
en de Vulgaat was voorbehouden aan kerkelijke leiders. De bijbel werd wel gedeeltelijk hier en
daar vertaald, maar men moest dat vaak met het leven bekopen! In 1388 werd een Engelse vertaling
voltooid onder leiding van een Britse priester (John Wycliffe). Hij stierf voor er een vervolging
uitbrak. Maar men was zo opgeruid tegen hem dat zijn lichaam opgegraven en verbrand werd.
Maar drie grote gebeurtenissen zouden verandering brengen, nl. de Reformatie, de uitvinding van
de boekdrukkunst en de nieuwe belangstelling voor het klassieke Grieks. Het waren dus niet alleen
de humanisten van de Renaissance die zich opnieuw bogen over de geestelijke wortels van de
theologie en filosofie. Desiderius Erasmus, de grote Rotterdamse geleerde, liet in 1516 voor het
eerst het N.T. in het Grieks drukken. Dit werd gevolgd door een ijverige reeks uitgaven van het
Griekse N.T.
In 1534 zag Luthers Duitse vertaling van de bijbel het licht. William Tyndale, ook een geleerde
priester, wilde hetzelfde bereiken voor de Engelse taal. Maar voordat hij dit voltooide, eindigde hij
op de brandstapel in de omgeving van Brussel. Het schijnt dat zijn laatste woorden een gebed waren
of God de ogen van de Engelse koning wilde openen. Dit gebeurde ook. Anderen maakten zijn
werk af en met toestemming van de Koning mocht de tweede uitgave gedrukt worden.
De eerste volledige Nederlandse bijbel was de in 1526 verschenen Liesveldt-Bijbel. Maar omdat
deze drukker deze bijbel voorzag van kanttekeningen die steeds reformatorischer werden, vond hij
de dood door onthoofding. Na deze bijbel gaven de verschillende geloofsgemeenten hun eigen
bijbels uit.
terug naar Overzicht
23.6 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Autographa
Hoewel de zgn. 'autographa' niet meer bestaan, is er door trouwe kopiisten wel degelijk voor
gezorgd dat deze originele geschriften (dus door de schrijvers zelf) getrouw zijn gekopieerd. Wat
de Joden hadden gedaan voor de oudtestamentische autographa, hebben meestal monniken gedaan
voor de nieuwtestamentische. Een vondst als van de Dode Zee rollen bevestigen dat de teksten van
het O.T. altijd al bijzonder nauwkeurig waren overgeleverd d.m.v. methoden als het tellen van alle
woorden, letters en het overschrijven van het hele document als er een afwijking was.
Vergelijkbare vondsten zijn er ook gedaan die bevestigen dat het Griekse N.T., dat aan de basis
van bijv. de Statenvertaling ligt, eveneens uitzonderlijk goed bewaard is. Zo zelfs, dat we ervan uit
kunnen gaan dat de hedendaagse tekst nagenoeg dezelfde is als die waar de eerste Christenen over
bezaten. Eigenlijk zijn wij bevoorrecht, want de allereerste Christenen moesten nog op vele dingen
wachten!
Van 99% van alle in het N.T. voorkomende woorden is de betekenis zeker. Slechts een klein
percentage (0,1%) betreft min of meer belangrijke varianten. Maar ook hier is de Christelijke leer
veilig gesteld, omdat geen enkel basisaspect van de Leer op een afwijkend variant is gebaseerd.
De studie van het Griekse origineel werkt mee tot een diepere betekenis en beleving van de Bijbel.
Het is op z'n minst nuttig om een vaardigheid te leren die men in staat stelt om vertalingen te
vergelijken. Voldoende kennis van de grammatica en een basiswoordenschat zijn hiervoor een
vereiste. Vertalingen kunnen namelijk nog wel eens van het origineel afwijken. Maar ik haast me
toe te voegen dat vertalers altijd hun werk zo getrouw mogelijk gedaan hebben en ik ben me niet
bewust van enige vertaling die de Christelijke leer in diskrediet zou brengen. In de volgende lessen
besteden we aandacht aan de (oude) Griekse teksten.
terug naar Overzicht
24.6 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Manuscripten I
Een zekere Stephanus gaf in het jaar 1550 een Griekse tekst uit die de naam Textus Receptus
kreeg ('aanvaarde tekst'). Deze tekst werd de basis van de Statenvertaling en van o.a. de Luther-vertaling. Het zou enkele eeuwen duren voordat men het waagde een herziene uitgave te publiceren.
Want dit werd als oneerbiedig beschouwd.
Wat de Dode Zee rollen voor het Oude Testament waren, was in eerste instantie een oud
manuscript uit de vierde eeuw, ontdekt door een Duitse geleerde-Tischendorf. Deze codex
(handschrift) bevatte het gehele Nieuwe Testament en werd toevallig door hem ontdekt bij zijn derde
bezoek aan het St. Catharinaklooster op de berg Sinaï. Later werden elders delen van het N.T.
ontdekt die nog veel ouder waren, sommige van slechts 50 jaar na de autographa!
Heden ten dage beschikken wij over ongeveer 5000 handschriften die het hele N.T. of delen
daarvan bevatten. Uit deze grote hoeveelheid blijkt dat de latere manuscripten die aan de
Statenvertaling ten grondslag liggen, zeer getrouw waren gekopieerd. Bovendien bevestigen ze
elkaars betrouwbaarheid.
De meeste hedendaagse geleerden prefereren de oudste teksten. Er zijn er echter die redeneren dat
deze teksten-meestal uit de droge streken van Egypte, waar het papyrus lang goed bleef-behoren
tot een plaatselijke variant. Zij geven de voorkeur aan de zogenaamde Majority text-'de tekst van
de meerderheid', gebaseerd op de theorie dat de variant die het meest voorkomt, terug moet gaan
op de oudste en beste (niet meer bestaande) teksten. Maar hoe dit ook zij; waar het om gaat is dat
bewezen is dat eenvoudige Egyptische boeren uit de tweede eeuw gewoon hetzelfde Nieuwe
Testament bezaten als de geleerden van vandaag de dag!
terug naar Overzicht
25.6 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Manuscripten II
De Joden kopieerden het O.T. getrouwer dan de monniken het N.T. In les 23 zeiden we al dat
slechts 0,1% van het N.T. belangrijke varianten betreft; de meeste varianten betreffen verschillen
in spelling, woordvolgorde en grammatica. Deze 0,1% van de woorden van het N.T. brengen de
Christelijke leer niet in gevaar. De overlevering van het N.T. is uniek. Van geen enkel geschrift
uit de oudheid (behalve dan het O.T.) zijn zoveel handschriften en vertalingen voorradig. Men kan
er zeker van zijn dat in minstens één van deze oude getuigen het juiste origineel is bewaard. Andere
geschriften zijn altijd aangetast in meerdere of mindere mate door overschrijffouten en moet de
tektscriticus een gok wagen naar de oorspronkelijke vorm. Dit is voor het N.T. dus niet nodig!
Fouten die binnenslopen waren meestal zonder opzet, zoals het verwisselen van volgorde van
woorden, verdubbeling of omkering van letters en weglating van woorden en letters. Dit indien het
manuscript overgeschreven werd. Wanneer het manuscript gedicteerd werd, ontstonden dergelijke
fouten ook. Met opzet werd waarschijnlijk 1 Johannes 5:7 veranderd. Maar het kan ook dat dit een
theologische interpretatie was in de kantlijn, waarvan een kopiist dacht dat het in het origineel
hoorde. Dit vers is een voorbeeld van een variant dat op zich wel belangrijk is, maar die niets van
de Christelijke leer in diskrediet brengt (in dit geval de leer van de drie-eenheid).
De belangrijkste handschriften (naar chronologische volgorde) zijn de papyri uit Egypte (2de en
3de eeuw), de uncialen [handschriften in hoofdletters geschreven] (4de tot 9de eeuw), en de minuskels
[handschriften in kleine letters] (9de tot 15de eeuw). Hiernaast worden antieke vertalingen
geraadpleegd, evenals bijbelcitaten door kerkvaders en leesboeken voor godsdienstig onderwijs.
Wij raden u aan om nu toch een Grieks N.T. aan te schaffen. Naast interlineaire edities, kunt u
de al genoemde Textus Receptus, of de Majority Text, of een nieuwe editie in de lijn van Nestle-Aland kopen.
terug naar Overzicht
26.6 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Jezus' Moedertaal
Het is een wijd verbreide misvatting dat Jezus Aramees sprak en dat de nieuwtestamentische
uitdrukking 'Hebraisti' Aramees zou betekenen. Sinds de wegvoering naar Babel wemelde het in
het Hebreeuws van de Aramese leenwoorden, zo zelfs dat men ze gewoon als Hebreeuws
beschouwde (bijv. 'Rabboni' wordt Hebreeuws genoemd).
In dit stukje kunnen wij niet op alle argumenten voor en tegen ingaan, maar neem nu
bijvoorbeeld het kruiswoord 'Eloi, Eloi'. Men zegt dat Jezus hier duidelijk Aramees sprak. Echter
in het Aramees zou het kruiswoord 'Elahi' en niet 'Eloi' (van een uniek woord in het Hebreeuws
voor God 'Eloah') geluid hebben. 'Lema' ('waarom') was waarschijnlijk net zo gebruikelijk als
het originele Hebreeuwse 'lama'. 'Effatha' is ook gewoon Hebreeuws en niet Aramees. Want net
als de Griekse schrijfwijze van Hizkia in de Septuaginta 'Ezekias' werd, zo werd het Hebreeuwse
'hiffathah' [nifal gebiedende wijs 2de persoon enkelvoud mannelijk] 'effatha' (vertaling: 'word
geopend'). De woorden 'kumi' en 'sebachthani' luiden qua vervoeging in zowel het Hebreeuws als
het Aramees gelijk en men kan rustig aannemen dat het oude gebruikelijke werkwoord voor
'verlaten' ('azab') verdrongen was door 'sebach' dat ook in het Misjna-Hebreeuws voorkomt.
Verder kan men aanvoeren als bewijs dat een Syrische koning zijn zoons naar Jeruzalem zond om
de taal aldaar te leren. Nu in Syrië sprak men Aramees en dus in Jeruzalem Hebreeuws! Verder
werd er in het Israel van toen Koinè Grieks en Romeins (lees: Latijn) gesproken en in de tijd van het
Pascha was Jeruzalem een smeltkroes van talen van Joden die uit de gehele toen bekende wereld
kwamen.
Aramees was de taal aan het hof van Babel en was zelfs min of meer een wereldtaal vergelijkbaar
met de Koinè na Alexander de Grote. Daniël schreef zijn dromen en profetieën die bestemd waren
voor de algemene (heidense) wereld dan ook in het Aramees.
In Nehemia 13:24 wordt het Hebreeuws 'Jehudiet' genoemd en worden Joden wiens kinderen
Ammonitisch en Moabitisch spraken, ernstig berispt. Een argument voor het Aramees als Christus'
moedertaal, is dat het woord 'talitha' (meisje) op zich Aramees is. Men kan ook aanvoeren dat het
Aramees als de wereldtaal van het Babylonische wereldrijk, wijd verbreid was bijv. doordat er
Babylonische immigranten werden geplaatst in Samaria. Echter het feit dat het Oude Testament in
het Hebreeuws was geschreven, moet een enorme taalkundige invloed hebben gehad.
Men kan eventueel ook beweren dat na Alexander de Grote het Koinè Grieks de algemene
voertaal was geworden en dat daarom ook de apokriefe boeken in die taal zijn geschreven, zoals de
boeken van de Makkabeeën.
De tweede (eventueel derde) taal van Jezus moet het Koinè Grieks zijn geweest en men mag ook
aannemen dat deze taal waarschijnlijk meer gesproken werd (zeker wanneer Hij de massa toesprak)
dan het Hebreeuws, dat naar de achtergrond van de huiselijke kring en de synagoge was verdrongen
(zeker in een min of meer heidens gebied als Galilea).
terug naar Overzicht
27.6 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Zeven Koningen
In Openbaring 17:10 is er sprake van zeven koningen, of bergen (de zeven koppen van het vierde
beest in Daniël). Er wordt gezegd dat vijf gevallen zijn en dat er één is, de zesde (dat is in de tijd
van Johannes!); en dat de zevende een korte tijd komt. De achtste is uit de zeven. Ik geef u mijn
mening wat betreft de interpretatie van deze zeven koningen. Het zijn regeringsvormen die alle
zeven tot het 'beest' behoren. Daniël had het over een beest dat na Alexander de Grote zou komen.
Dit is het Romeinse rijk.
De vijf regeringsvormen die gevallen zijn, kunnen het best begrepen worden als respectievelijk
de Romeinse koningen (van 753 v.Chr. tot 509 v.Chr.), de twee consuls (van 509 v.Chr. tot 445
v.Chr.), de militaire tribuni (van 445 v.Chr. tot 60 v.Chr.), het triumviraat (vanaf 60 v.Chr.) en het
verschijnsel van de absolute dictator (Julius Caesar). De zesde koning, of regeringsvorm, is de
Keizer (vanaf 27 v.Chr.),. te beginnen in de persoon van Octavianus, de geadopteerde zoon van
Caesar. Deze liet zich Augustus noemen (in het Grieks sebasto" 'de vereerde', 'de verhevene',
'de doorluchtige' [Hand. 25:25]) en werd op een gegeven moment vereerd als een god.
Centraal in al deze regeringsvormen stond de zogenaamde macht imperium en het priesterdom
auspicium (het bepalen van de wil der goden). Deze twee verschijnselen vormden de basis van de
besturing van het rijk. Het is veelzeggend dat het Nieuwe Testament ook spreekt van het algemeen
priesterdom van gelovigen en van hun koning(in)-zijn. Maar dit terzijde.
Augustus ontving in 23 v.Chr. de macht van tribunicia potestas voor de rest van zijn leven en
in 12 v.Chr. werd hij pontifex maximus. Dit verenigde in hem zowel de koninklijke als de
priesterlijke macht.
Verdere Keizers in de tijd van het Nieuwe Testament waren: Tiberius (14-37), Caligula (37-41),
Claudius (41-54), Nero (54-68), Gelba [7 maanden], Otho [88 dagen], Vitellius (68-69),
Vespasianus (69-79), Titus (79-81), Domitianus (81-96), Nerva (96-98), Trajanus (98-117).
Verreweg de beruchtsten waren Caligula en Nero. Maar Diocletianus (284-305) veroorzaakte een
vervolging van tien jaar (vergelijk de tien dagen van Openbaring 2:10) van Christenen, die gevreesd,
veracht en gewantrouwd werden als een staat binnen een staat. De toetssteen was of men gewillig
was om de keizer te aanbidden als een god.
terug naar Overzicht
28.10 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Architectuur I
We zullen nu enkele stukjes wijden aan de Romeinse architectuur. De Romeinen hadden twee
soorten huizen, de domus en de insula. De eerste was weggelegd voor de welgestelden en de tweede
was een soort flatgebouw voor de arbeiders. De domus bestond uit een aantal kamers die om een
atrium gebouwd waren. Vaak werden er kamers verder naar achteren gebouwd rondom een hof met
zuilen, het peristyle. Het atrium was een rechthoekige kamer met een opening in het dak. Het
atrium met de daaromheen liggende kamers was puur Romeins. Het peristyle was van Griekse of
Midden-Oosterse stijl.
De algemene activiteiten van de familie vonden plaats in het atrium. De kamers rondom het
atrium waren bestemd voor conversatie en ontspanning. Men bereikte het atrium vanaf de straat via
het prothyrum, een ingang met gang. Tussen het atrium en het peristyle bevond zich het tablinum,
een open huiskamer die d.m.v. een gordijn afgesloten kon worden. Een ruime gang, de fauces,
bevond zich aan een kant van het tablinum om een gemakkelijke toegang tot het peristyle te bieden.
De peristyle, zoals in de domus van Vettii te Pompeji, bevatte de privé huiskamer van de familie.
Rondom de zuilenhof bevonden zich verder de oecus (receptie), de cubiculae (slaapkamers), de alae
(nissen voor privé gesprekken), de triclinae (eetkamers). In de domus van Pansa te Pompeji
bevatten de triclinai drie ligbanken voor ieder drie personen, omdat negen het geaccepteerde aantal
gasten was voor een Romeins feest. Deze laatste domus heeft ook een bovenverdieping zowel
rondom het atrium als het peristyle.
terug naar Overzicht
29.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Architectuur II
De tweede vorm van huizenbouw, de insula (lett. 'eiland'), was het flatgebouw. De insula
verschafte goedkope behuizing voor de arbeiders op plekken waar de grond duur was en de
bevolking talrijk. De insula werd gebouwd van stenen en bedekt met beton en was vaak vijf of meer
verdiepingen hoog, ondanks wetten die bepaalden dat zulke gebouwen niet hoger dan 21 meter
mochten zijn en in de tijd van Trajanus zelfs maar 18 meter. De begane grond van zulke gebouwen
werd meestal gebruikt door ambachtslieden en verschillende soorten winkels.
Veelal hadden de insulae ook balkons van hout of beton. Pompen konden het water alleen maar
omhoog brengen naar de lagere appartementen. Huurders van de hoger gelegen appartementen
waren aangewezen op openbare water en sanitaire voorzieningen. De insulae werden gebouwd met
nauwgezette aandacht voor een zo goed mogelijke verdeling van ruimte. Licht kwam zowel van de
buitenkant als van een centrale binnenplaats. Goedkope constructie en een beperkte voorraad
water waren de oorzaak van talrijke instortingen en grote branden. Opgravingen in Ostia, praktisch
een buitenwijk van Rome, hebben deze dingen aangetoond. Bovendien werd er melding gemaakt
van deze gebouwen door Romeinse schrijvers.
terug naar Overzicht
30.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Architectuur III
De Romeinen hadden een grondige basiskennis van hoe men de bouw van een stad moest plannen.
Wanneer een nieuwe stad werd gebouwd hield men rekening met haar functie, klimaat en de
geografische omgeving.
Karakteristiek voor een Romeinse stad (waarschijnlijk ontwikkeld uit eerdere Italische steden in
combinatie met het vak van legerkampbouw) was dat men haar vierkant plande. De wegen en
straten liepen evenwijdig aan elkaar en sneden elkaar in het centrum, vergelijkbaar met New York.
In, of dichtbij, het centrum bevond zich het zogenaamde forum, het middelpunt van de Romeinse
cultuur. Langzamerhand werden hieromheen gebouwen geplaatst voor specifieke burger-, handels-,
en religieuze activiteiten. In keizerlijke tijden was het gebruikelijk om de forums zo groot te maken
dat ze ruimte genoeg boden voor allerlei activiteiten. In een grote en oude stad als Rome zelf, waren
er verschillende forums; ieder met zijn eigen doel, zoals administratief, justitieel, financieel en ook
waren er forums voor de verkoop van vlees en groenten. Voor vlees en groenten ontwikkelde men
de macellum, een marktgebouw met winkels rondom een hof met zuilen.
Lang gevestigde gemeenten, die meer door aanwas dan planmatig ontwikkeld waren, werden
door de tijd heen onder de Romeinse invloed gebracht van het hierboven beschreven plan. Vaak,
echter, ook te Rome, verhinderde de ligging en de schaal van grootte een volledig logische
uitwerking. In het algemeen werden er zuilenrijen gemaakt aan de zijden van belangrijke straten.
Water werd geleid naar spectaculaire fonteinen en naar bassins voor praktisch gebruik. Het water
werd via aquaducten naar grote reservoirs geleid (als het klimaat geen putten voorschreef).
Rioolsystemen verzamelden het overtollige water van de straten en van privé verblijven. Beroemd
is de uitspraak van een keizer die belasting hief op het rioolsysteem: pecunia non olet (geld riekt
niet). Wetten voor het bouwen werden uitgedacht en vervolgens gehandhaafd.
Het ontwerp van een hele stad kan duidelijk gezien worden in sommige steden in Noord Afrika,
zoals bij voorbeeld in Timgad, Tébessa en Thuburbo Majus. In deze steden werd maar weinig of
helemaal niet bijgebouwd en de originele planning is nog steeds intact.
terug naar Overzicht
31.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Architectuur IV
Van ongeveer 200 v.Chr. tot 50 n. C. zorgden de veelvuldige contacten met Griekenland, als
ook de ontwikkeling van Rome als een republiek ervoor dat qua stijl tempels naar het Griekse
voorbeeld werden gemaakt. Zowel de sculptuur als ruimtelijke effecten werden geschoeid op
Griekse leest. De Griekse invloed op de Romeinse cultuur was zo groot dat er een spreekwoord
gebezigd werd: Graeca capta Romam cepit (Het veroverde Griekenland heeft Rome veroverd).
Echter in de tijd van keizer Augustus werden tempels gebouwd met een meer eigen, dat is
Italisch, ruimtelijk arrangement. Ook werden nieuwe vormen, voornamelijk bloemversieringen,
en zeer gedetailleerde friezen ontworpen. In deze tijd werd voornamelijk in seculiere gebouwen
een architectonische stijl ontwikkeld die geheel eigen was aan Romeinse begrippen. Ook was
het in deze periode dat de Romeinen hun geheel eigen invloed begonnen uit te oefenen in het
buitenland, bijv. in de bouw van theaters en amfitheaters.
De Romeinen hadden een voorliefde voor ruimtelijke composities die uitgeleefd werd in het
organiseren van lijnen, oppervlakten, massa en volume partijen. Hierin verschilden zij van hun
voorgangers in die tijden rondom de Middellandse Zee. Hoezeer zij ook de elementen van
voorgaande stijlen overnamen, zij deden dit op hun eigen manier.
Er bestonden vijf Romeinse bouwstijlen, afgekeken van de Grieken, maar gebruikt op eigen
wijze. Deze waren de Dorische, Ionische, Corinthische, Toscaanse en gemengde bouwstijlen. In
het algemeen waren de verhoudingen in de Romeinse stijlen matiger, maar er was een neiging tot
meer detail. Kolommen waren vaak glad, maar de architraaf, fries en kroonlijst daarentegen
werden versierd.
terug naar Overzicht
32.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Architectuur V
Tegen het einde van de republiek waren de zogenaamde balneae (baden) een erkend kenmerk
van het Romeinse leven geworden. Vooral tijdens het keizerrijk waren ze enorm populair. De
Stabianische Baden te Pompeji zijn het best bewaard gebleven.
Keizerlijke thermae waren meer dan alleen baden. Het waren bijzonder grote faciliteiten voor
allerlei soorten van lichamelijke oefening en herbergden hallen waar filosofen, dichters en
sprekers publiek trokken.
Romeinse theaters verschilden in diverse opzichten van die van de Grieken. Het auditorium
werd niet gegraven en de muren die zowel het podium als de zitplaatsen omgaven, waren
doorlopend. De ingang tot het danspodium werd gevormd door gewelfde gangen. Het koor
speelde geen rol in het Romeinse theater, zodat het dansgedeelte deel uitmaakte van het
auditorium. De wand achter het podium werd uitgebreid versierd.
Amfitheaters waren arena's waar schouwspelen en allerlei vertoningen werden opgevoerd. De
belangrijkste was het Colosseum te Rome, gebouwd van ongeveer 70-82 v.Chr. Het besloeg
tweeëneenhalf hectare en bood plaats aan vijftigduizend toeschouwers. Tachtig ingangen
zorgden ervoor dat het snel ontruimd kon worden. Het geheel was gebouwd van beton, de
buitenkant was bedekt met een soort kalksinter en de binnenkant met kostbaar marmer.
Het circus was voornamelijk een renbaan met aan de zijkanten zitplaatsen. Aan het ene
uiteinde was het rond en aan het andere recht om toegang te verschaffen aan de wagens. In het
midden liep een scheidslijn waar arbiters hun functies konden uitoefenen. Aangezien het de
grootste faciliteit was voor het bekijken van een plechtigheid, werd het circus ook bestemd voor
andere activiteiten. Zij zijn vooral berucht geworden door het verbranden van christenen in de
tijd van en door Nero.
Triomfbogen werden soms opgericht om een belangrijke gebeurtenis of militaire campagne te
herdenken. Meestal stonden ze apart en dienden niet om een weg door te laten. Ze werden
versierd met reliëfs en men bouwde er standbeelden op.
terug naar Overzicht
33.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Architectuur VI
Romeinse tempels verschilden in vele belangrijke details van hun Griekse voorgangers. Zo
hadden de Grieken drie treden rondom hun tempels, maar de Romeinen hadden een hoog
platvorm, of podium, met een trap die als ingang diende. Griekse tempels keken bijna altijd uit
op het Oosten of Westen, maar de ligging van de Romeinse tempels hing af van de relatie met de
omliggende gebouwen.
De Romeinen bouwden veelal ronde tempels, waarvan de belangrijkste tot op de dag van
vandaag het Pantheon te Rome is. Het bestaat uit een rotonde met een diameter van bijna vijftig
meter en omgeven door betonnen muren met een dikte van zeven meter. Een centrale opening
met een spanwijdte van wel negen meter laat het licht door. Deze opening, ook wel oculus
genaamd, bevindt zich boven in de koepel. De rotonde en het koepelgewelf behoren tot de beste
voorbeelden van Romeins betonwerk.
De Romeinse graftombe bestond uit een heuvel van aarde, de tumulus, en was omgeven door
een cementen ring meestal van behoorlijke hoogte. Er zijn slechts weinig van dit soort tombes
overgebleven; voornamelijk de graftombe van Hadrianus die nu Castel Sant'Angelo heet.
De basilica was een grote overdekte hal die gebruikt werd door justitie en die ook diende
voor bankzaken en handel. De grootste basilica werd in ongeveer zeven jaar gebouwd,
begonnen door Maxentius en voltooid door Constantijn in omtrent 313 n.Chr. Gewelven die
zich nog steeds over de uitspringende ruimtes aan de noordzijde bevinden, zijn een frappant
bewijs van de samenstelling en bestendigheid van Romeins gewapend beton. Want na al deze
jaren hangen ze daar nog steeds en dat zonder ondersteuning.
Het construeren van bruggen en aquaducten behoorden ook tot de grootste vaardigheden van
de Romeinen. De beroemdste voorbeelden van aquaducten die de tand des tijds tot nu hebben
doorstaan, zijn de Pont du Gard bij Nîmes en bij Segovia in Spanje. Het beste voorbeeld van
een brug vind je bij Rimini. Deze werd gebouwd door Augustus en Tiberius. De mooiste is
misschien wel die bij Alcántara in Spanje.
terug naar Overzicht
34.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Architectuur VII
Privé huizen en zelfs paleizen hadden meestal een stijl die binnenhoven en tuinen benadrukte in
plaats van het aanzien van buiten. Deze traditie werd zelfs gehandhaafd, voorzover mogelijk, in de
Romeinse nederzettingen in het noorden van Europa en in Engeland. Daar moesten ook uitgebreide
voorzieningen getroffen worden voor verwarming. In het eigen klimaat van de Middellandse Zee,
echter, was er een tendens voor een lichte en open constructie in plaats van een compacte en
imposante.
Ook bij de paleizen van de keizers in Rome viel de grootste nadruk op de bouw van tuinen. De
gebouwen zelf, wat betreft op hun functie, waren niet zeer monumentaal en als het ware uit de losse
hand verspreid over de Palatijnse heuvel. Augustus zelf kocht en vergrootte het huis dat bekend
staat als het Huis van Livia, dat nog steeds bestaat. Zeer weinig is overgebleven van Nero's
beroemde Gouden Paleis, dat oorspronkelijk een gebied besloeg van meer dan 120 hectare. Daar
bevinden zich nu de Baden van Titus, het Colosseum en de Basiliek van Maxentius.
De Villa van Hadrianus te Tivoli, begonnen in ongeveer 123 n.Chr., was een weelderige
residentie met parken en tuinen op grote schaal. De oneffenheid van het gebied maakte de bouw van
grote terrassen en trappen noodzakelijk. Er bestaan nog overblijfselen van enorme stenen en
betonnen constructies. Al de gebouwen zijn in Romeinse stijl, maar met Griekse namen.
Het Latijnse woord villa had betrekking op een landgoed, compleet met huis, terreinen en
ondergeschikte bouwsels. Relatief eenvoudige villa's werden gevonden rondom Pompeji.
Beschrijvingen in de literatuur, zoals van Plinius de Jonge die zijn villa te Laurentum beschrijft, en
overblijfselen van de paleisachtige residentie van de vierde eeuw te Piazza Armerina in Sicilië,
vertegenwoordigen meer de rijke klasse. De villa van Hadrianus is te uitgebreid en gedetailleerd
om een typische villa genoemd te worden.
terug naar Overzicht
35.4 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Canon
Wij willen nu enkele aspecten van de canon van het Nieuwe Testament behandelen. Het woord
canon komt oorspronkelijk uit het Hebreeuws van qaneh wat (meet)riet betekent (vgl. Ezek. 40:3)
en is via het Grieks (bijv. Gal. 6:16; kanwn 'regel') in het Latijn en vervolgens in de moderne talen
gekomen.
De vroegere kerkvaders gebruikten het woord in de zin van het N.T. 'regel'. Origenes (184-254)
noemde de Schriften de canon en bedoelde daarmee de 'regel voor geloof en leven'. In de tijd van
Athanasius (296-373) bezigde men het woord in de betekenis van 'de lijst van boeken met goddelijk
gezag'. Zo wordt het woord nog steeds gebruikt.
Men maakt wel onderscheid tussen actief en passief canoniek zijn. Volgens de eerste betekenis
is een (bijbel)boek canoniek, omdat het met gezag de maatstaf voor ons leven geeft. In de tweede
betekenis is een boek canoniek omdat het aan de maatstaf voldoet, volgens welke een boek
geaccepteerd wordt als geïnspireerd door God.
In het verleden is nooit, door welke kerkelijke leiders of concilies dan ook, gezag verleend aan
welk bijbelboek dan ook! Alles wat zij deden was het accepteren van het gezag waarmee de diverse
bijbelboeken spreken. Straalde een boek zo'n gezag uit, dan werd het als canoniek aangenomen.
Er is nooit een boek canoniek verklaard louter en alleen omdat mensen het in de canon hebben
opgenomen. Dat is een verwarring van de actieve en passieve betekenis van het woord canon. Wat
God in Zijn voorzienigheid aan ons heeft overgelaten, is of wij een boek als goddelijk zouden
herkennen. Zo zijn bijvoorbeeld het Boek van de Oprechte (Joz. 10:13) en het Boek van de
Oorlogen van de Heere (Num. 21:14) nooit in de canon opgenomen. Om maar te zwijgen over de
vele spreuken en liederen van Salomo die nooit zijn erkend door mensen als Ezra en Nehemia.
terug naar Overzicht
36.8 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Canon II
De boeken en brieven van het N.T. zijn geschreven door mannen met een bijzondere roeping en
gave, voornamelijk de apostelen; waarvan voornamelijk Paulus. Zij werden allemaal door Christus
zelf geroepen. Ook de schrijver Jacobus, de broer van Christus, werd volgens Galaten 1:19 tot de
apostelen gerekend. De broer van Jacobus, Judas, werd ook onder de apostelen gerekend (vgl.
Hand. 15:27). Men kon destijds dus ook apostel zijn, terwijl men niet tot de twaalf behoorde (vgl.
Op. 2:2). Voorwaarde was dat men tijdens of na het (aardse) leven van Jezus, door Hem geroepen
was en dat de tekenen van een apostel je vergezelden (2 Kor. 12:12). Wat de profeten voor het O.T.
waren, waren de apostelen voor het N.T. De evangelisten Marcus en Lucas kan men rekenen tot
de nieuwtestamentische profeten (vgl. Ef. 2:20; 3:5).
Dat de vroege christenen twijfel hadden over verschillende brieven of boeken, is geen bewijs van
onkunde of iets dergelijks, maar toont juist aan hoe zorgvuldig zij te werk gingen. Een boek werd
verworpen indien men niet overtuigd was dat het van God Zelf afkomstig was. Dit
onderscheidingsvermogen werd gegeven door de Heilige Geest, die Zelf ook de Geschriften had
ingegeven (niet als een dictee overigens). Niet-canonieke boeken of brieven hadden op zijn best de
status van vrome lectuur, die naast de bijbel gelezen konden worden. Christus Zelf stelde de
Farizeeën op de proef toen Hij hun vroeg of het gezag van Johannes de doper van God of van de
mensen kwam. Maar zij herkenden dat gezag niet en erkenden het ook niet. Dit is de test voor ieder
mens-het herkennen en erkennen van Gods gezag. Doet en kan en wil men dat niet, dan zal geen
enkel wonder of argument helpen.
terug naar Overzicht
37.9 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Canon III
Er werden nog andere toetsstenen gehandhaafd om te bepalen of een boek al dan niet canoniek
was, naast dat ze profetisch en goddelijk gezaghebbend moesten zijn. En wel of een boek of brief
geestelijke kracht bezat (vgl. Hebr. 4:12; 2 Tim. 3:15-17; 1 Pet. 1:23 en 2:2). Een vierde criterium
was of het boek qua feitelijkheden en leer congruent was met voorgaande geschriften. Omdat Gods
woord niet inconsequent kan zijn, werd een boek zondermeer verworpen op onjuistheden. Daarom
gingen de Bereeërs na of de leer van Paulus wel strookte met de hun bekende en door hen
geaccepteerde geschriften (Hand. 17:11). De vijfde toetssteen was of en hoe een boek of brief
oorspronkelijk aanvaard was. Indien een boek was verworpen door de eerst geadresseerden, dan
werd het als niet-canoniek beschouwd. Omdat het trage transport over lange afstanden de
communicatie belemmerde, duurde het lang voor er een algemene aanvaarde canon tot stand kwam.
Om de éénheid onder christenen te bevorderen was het noodzakelijk om tot een algemeen erkende
canon te komen. Bovendien werden door de gnostici allerlei belangrijke boeken en brieven
verworpen en kwam in de eerste helft van de tweede eeuw de dwaalleraar en gnosticus Marcion met
zijn eigen canon. De kerkvaders stonden toen voor de opgaaf niet om een alternatieve canon vast
te stellen, maar om te bepalen wat eigenlijk vanaf het begin de juiste canon was geweest. Iedere
christen moest op de hoogte zijn op welke boeken en brieven hij of zij zich kon beroepen, zodat wat
betreft leerstellige vraagstukken de juiste bronnen bekend waren. Er was ook een kerkelijke reden.
In veel gemeenten werden ook niet-canonieke boeken als opbouwend beschouwd en voorgelezen.
Bovendien moesten vertalers weten welke boeken en brieven authentiek waren. Er was tijdens de
vervolgingen onder keizer Diocletianus een wereldlijke reden om de juiste canon te bepalen. Men
probeerde namelijk de politie voor de gek te houden door niet-canonieke boeken en brieven in te
leveren. Want de overheid had bevolen dat alle christelijke, dat is nieuwtestamentische, geschriften
verbrand moesten worden.
terug naar Overzicht
38.8 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Canon IV
Hoewel de uiteindelijke vaststelling van de nieuwtestamentische canon lang op zich liet wachten,
omdat de christenen van de eerste eeuwen van ons tijdperk wijdverspreid woonden en omdat de
communicatie moeizaam verliep; kunnen we aannemen dat vanaf het begin er maar weinig
onderling geschil was over welke boeken en brieven als authentiek moesten worden beschouwd.
Dit blijkt uit de kerkgeschiedenis en uit de manuscripten.
De allervroegste kerkvaders, waarvan de geschriften getrouw zijn overgeleverd-zoals Ignatius,
Clemens, Justinus Martyr en Irenaeus (eind tweede eeuw; bisschop van Lyon)-geven ons een
behoorlijk goed inzicht in het alom geaccepteerd zijn van het N.T. Ook maakten zij een duidelijk
onderscheid tussen zichzelf en de schrijvers van de bijbel. Zij gaven zichzelf minder gezag. Over
o.a. Jacokus en Hebreeën bestond kennelijk verschil van mening. Tertullianus (omstreeks 200
n.Chr.) noemt de vier Evangeliën, de Handelingen, 13 brieven van Paulus, 1 Petrus, 1 Johannes,
Judas en Openbaringen. Vanaf het prille begin moet het een soort absoluut gegeven zijn geweest
dat er maar vier Evangeliën zijn.
Frappant is de Canon Muratori (genoemd naar de ontdekker in 1740) die waarschijnlijk als een
soort orthodox protest tegen ketters als Marcion, was opgesteld. Hierin worden de al genoemde
boeken genoemd en nog een brief van Johannes. De "Openbaring van Petrus" wordt hier betwijfeld
en de "Pastor" van Hermas wordt als niet-canoniek verworpen. Opvallend is echter de ontbreking
van Hebreeën en 1 Petrus. Men heeft de theorie geopperd dat het manuscript dat deze canon bevat,
niet compleet is.
terug naar Overzicht
39.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Canon V
De allervroegste vertalingen van het N.T. tonen hoe gebrekkig de communicatie was tussen het
Griekse oosten en het Latijnse westen. In de oud-Syrische vertaling ontbreken 2 en 3 Johannes,
Judas en Openbaringen; echter in de oud-Latijnse vertaling ontbreken Hebreeën, Jacobus en 1
Petrus. De boeken die het oosten miste waren wijdverbreid in het westen en omgekeerd.
Desalniettemin bevatten deze twee oudste bijbels samen de nieuwtestamentische canon, op 2 Petrus
na.
Origenes die in de eerste helft van de derde eeuw n.Chr. leefde en wel op de rand van Oost en
West, in Egypte, geeft de canon zoals wij die vandaag hebben. Hij zegt dat al deze boeken alom
door christenen worden erkend en dat slechts Hebreeën, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes, Judas en
Openbaringen door sommigen betwist worden. Echter hijzelf geloofde dat Hebreeën door de Apostel
Paulus geschreven was. In de eerste helft van de vierde eeuw geeft Eusebius dezelfde canon en
vermeldt dezelfde betwijfelde boeken (op Hebreeën na).
Athanasius, bisschop van Alexandrië, geeft ons de oudst bekende lijst van alle 27
nieuwtestamentische boeken en brieven. Hij deed dat in zijn paasbrief in het jaar 367. Enkele
decennia later vermelden Hieronymus en Augustinus dezelfde canon.
De concilies van Hippo (393) en Carthago (397 en 419) bevestigen deze canon. U wordt er
nogmaals op gewezen dat deze concilies niet uitmaakten welke boeken in de canon thuis hoorden,
maar zij ratificeerden slechts het feit dat deze boeken en brieven altijd al als canoniek beschouwd
waren.
terug naar Overzicht
40.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Canon VI
Gebaseerd op de Griekse taal hebben theologen enkele geleerde woorden bedacht om de vroege
strijd om de canon in kaart te brengen. De homologoumena [van homos 'gelijk', 'overeenkomend'
en logos 'redenering' (o&mologew-ik ben het eens, ik kom overeen met); dus 'de boeken en brieven
waar iedereen het mee eens is'] waren de geschriften waarover vanaf het begin geen twist bestond;
uitgezonderd natuurlijk de ketters die ieder zijn eigen canon verzon. De pseudepigrapha [van
pseudes 'leugen' en epigrapha '(op)schriften'] waren de boeken en brieven waar niemand vanaf het
begin serieus in geloofde. De antilegomena waren de geschriften waar twijfel over bestond.
Zo betwijfelden serieuze christenen de brief aan de Hebreeën, omdat het een anonieme brief was
en omdat ketters sommige van hun leugens erop baseerden. Uiteindelijk was men het erover eens
dat Paulus de schrijver moest zijn geweest en ketters gebruikten nu eenmaal van alles en nog wat
om hun ideeën te staven.
In het Latijnse westen aarzelde men over de brief van Jacobus, omdat men niet zeker was of de
schrijver wel de bekende apostel in Jeruzalem was geweest. De grootste moeite had men met de idee
dat geloof werken moet voortbrengen. Zelfs Luther had moeite dit te begrijpen. Sommige
christenen hadden de indruk dat deze brief in strijd was met de leer van Paulus en dat het
rechtvaardiging op grond van werken leerde. Echter de gemoederen bedaarden toen men begreep
dat Jacobus bedoelde dat zonder werken het geloof niet echt is; net als een lichaam zonder ziel of
geest dood is. De twee horen bij elkaar. Paulus leerde dat Abraham door het geloof gerechtvaardigd
werd en Jacobus legde uit dat zijn handelingen een gevolg van dat geloof waren.
Over 2 Petrus is er het meest gediscussieerd tot op voor kort. Dit kwam vooral omdat de stijl
nogal verschilt van de 1ste brief. Vele geleerden beweerden dat het een vervalsing uit de tweede
eeuw was. Echter Clemens van Rome haalde het boek al in de eerste eeuw aan. Bovendien weten
we nu dat bijvoorbeeld Koptische christenen deze brief hoog waardeerden.
Van 2 en 3 Johannes vond men klaarblijkelijk dat deze brieven niet zo veel te zeggen hadden;
vandaar de geringe belangstelling en circulatie. Echter niemand zou het in zijn hoofd gehaald
hebben de geadresseerden onder de naam van 'oudste' aan te schrijven dan alleen Johannes zelf.
Van Judas begreep men naderhand dat hij niet geloofde in de pseudepigrapha, maar wel in
bepaalde informatie die daarin werd gevonden, evenals Paulus verwees naar buitencanonieke feiten
over de tovenaars Jannes en Jambres. Hoe dit kan, blijft voor ons een zaak van het geloof,
waarnaar men alleen kan gissen.
Ook het boek Openbaringen zorgde voor veel opschudding. Ook omdat ketters het gebruikten
voor hun dwaalleringen. Nadat deze leugens weerlegd waren, werd dit boek alom geaccepteerd.
terug naar Overzicht
41.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Canon VII
Er bestaat een groot aantal nieuwtestamentische pseudepigrapha, wel ongeveer 300.
Volgens een zekere Photius in de 9de eeuw, waren er toen al zo'n 280. Tientallen zogenaamde
evangeliën (volgens één ervan bracht Jezus als Kind vogels van klei tot leven; dit kan niet waar zijn,
want volgens Joh. 2:11 was het veranderen van water in wijn het 'begin van de tekenen');
zogenaamde handelingen van allerlei apostelen; zogenaamde brieven van Christus, Paulus en
zogenaamde openbaringen.
Wat betreft de nieuwtestamentische apocriefe geschriften in het algemeen, kunnen we zeggen dat
niemand ze erkent, ook niet de Rooms Katholieke kerk. Dit is een probleem van het verleden toen
deze of die kerkvader die en dat geschrift erkende. Zij geven ons echter inzicht in de verschillende
aspecten van de christelijke leer, de ontwikkeling van de theologie ervan en zij tonen ons hoe de
canon zich ontwikkelde.
De apocriefe werken (dus niet de vaak ongezonde en speculerende pseudepigrapha) kunnen
verdeeld worden in de werken van de eerste kerkvaders (1ste en 2de eeuw) en de overige werken. Tot
de eerste behoren de brieven van Ignatius, van Clemens, de 'didachè' [didach- leer] en de 'pastor'
van Hermas. Tot de tweede groep behoren zogenaamde handelingen en openbaringen.
Uit dit alles blijkt dat de canonieke geschriften een uniek karakter hebben. Van zelfs de edelste,
religieuze boeken en brieven werd herkend dat ze niet het karakter van canonieke geschriften
hebben. Het karakter van canonieke werken was en blijft zo frappant dat maar weinige van hen
betwist zijn. Dit kan alleen verklaard worden doordat er zo iets moet zijn als inspiratie. Daar gaan
we het de volgende keer over hebben.
terug naar Overzicht
42.6 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: De Canon VIII
De bijbel zegt van zichzelf dat hij door God ingegeven is. Sleutelpassages in het N.T. zijn 2
Tim.3:16; 1 Pet. 1:10,11; 2 Pet. 1:21 en 2 Pet. 1:20. In het O.T. zijn karakteristieke woorden zoals
'God sprak', 'God zei', 'Het woord van God kwam'. Wil dat zeggen dat de bijbel een soort dictee
is? Vaak wel, maar de bijbel is veel meer. Het moge duidelijk zijn dat zelfs in vertalingen het
taalgebruik van de ene schrijver eenvoudiger is dan van de andere. God kon dus de individualiteit
van de schrijver wel degelijk gebruiken. Er is dus een goddelijke kant en een menselijke kant aan
de inspiratie. Mooi is dat. De Persoon van Christus, die het Woord wordt genoemd, heeft ook deze
twee kanten: God en mens.
Het is dus niet zomaar een kwestie van dichterlijke bevlogenheid, maar volgens onze eerste
sleuteltekst werd de gehele Schrift ingegeven van God. Het Grieks gebruikt het woord
qeopneusto"-door God geblazen. Dat is de goddelijke kant. De menselijke kant is dat de schrijver
daar voor openstond.
Volgens de tweede sleuteltekst geschiedde de inspiratie 1. door de Heilige Geest; 2. Christus is
het middelpunt van de profetie; 3. de schrijvers begrepen niet volledig wat zij schreven. Wat punt
1. betreft. De bijbel zegt elders (1 Kor. 2:10-16) dat de Heilige Geest alle dingen doorzoekt, zelfs
de grootste mysteries van God. De Heilige Geest is dan ook Degene die ze ingeeft en de aandachtige
lezer van de bijbel zou er goed aan doen om de bijbel dan ook biddend te lezen en te vragen of God
Zijn Geest wil doen werken om te begrijpen wat wij lezen.
Volgens de derde sleuteltekst gaat de inspiratie uit van de wil van God en niet van een mens. De
bijbelschrijvers werden gedreven door God. Nogmaals, God gebruikte ook hun individualiteit,
zodat men de verschillende schrijvers als instrumenten kan zien van een groots orkest.
En tenslotte, volgens de vierde sleuteltekst, kan geen enkele profetie een eigen uitleg toestaan. Dit
betekent dat men altijd schriftplaats met schriftplaats moet vergelijken, dat men in de context moet
lezen en niet een uitleg aan een enkel vers moet toeschrijven. Een gouden regel is dat men 'leest wat
er staat', 'gelooft wat er staat', en dan 'heb je wat er staat'.
terug naar Overzicht
43.7 De Achtergrond van het Nieuwe Testament: Romeinse Wegenbouw I
De Romeinen waren de eerste wetenschappelijke wegenmakers. Op het hoogtepunt van hun
macht hadden zij ongeveer 85.000 kilometer aan wegen aangelegd. Deze wegen verbonden de
hoofdstad Rome met de grenzen van het uitgestrekte keizerrijk. Rome was als een soort naaf en 29
militaire wegen waaiden uit in alle richtingen. De beroemdste was de via Appia. De meeste
oudheidkundigen denken dat de Romeinen vooral de kunst van wegenbouw van de Etruskiërs in het
noorden van Italië geleerd hebben. Hoewel, zeer waarschijnlijk, ook andere culturen zoals de
Foenicische en Egyptische hun steentje hebben bijgedragen.
Het frappante van Romeinse wegen is dat ze, van punt tot punt, lijnrecht waren. Meren, ravijnen,
moerasland en zelfs bergen, werden bedwongen. Zelfs moderne ingenieurs bewonderen ze vanwege
hun moedig ontwerp.
De via Appia werd begonnen in 312 v.Chr. en bestond uit één tot anderhalve meter aan
verschillende materialen. De diepste laag was van zand of metselkalk. Daarop kwam een laag van
soms wel een halve meter aan platte stenen. Daarop een laag van ongeveer twintig cm aan kleinere
stenen gemengd met kalk. Daarop ongeveer dertig cm aan kiezelsteentjes en grof zand gemengd met
hete kalk. De toplaag bestond uit vijftien cm lava dat op keistenen leek. Dit zou de praktijk worden
voor de komende 2000 jaar!
De Romeinse publieke transport service bestond uit de snelle dienst en de vrachtdienst. Dit naast
het reizen en transport door privé personen. De meest gebruikte middelen van vervoer waren de
tweewielige strijdwagen getrokken door twee of vier paarden en de vergelijkbare kar voor het
platteland. De raeda (een Gallisch woord voor een vierwielige wagen) was de voorloper van de
diligence. Er bestond ook een vracht raeda getrokken door acht paarden in de zomer en tien in de
winter en die mocht niet meer dan 1000 Romeinse ponden (ongeveer 330 kilo) vervoeren. De
transportsnelheid varieerde van zo'n twintig km per dag door de vrachtdienst en 120 km door de
snelste postdienst.
terug naar